BWBR0024848
Geldig vanaf 2008-12-13
Artikel 13
Regeling beleidsvoorbereiding en verantwoording waterschappen
1. Jaarlijks voor 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar verstrekt het dagelijks bestuur van het waterschap, op basis van de vastgestelde jaarrekening, de volgende informatie aan het CBS:
a. de informatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, waarbij de opbrengstsoorten 5.1 tot en met 5.7, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling, als afzonderlijke bedragen worden vermeld en waarbij de gegevens, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel r, conform de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar worden vermeld;
b. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de immateriële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.38 van het besluit;
c. de stand van zaken aan het begin en einde van het begrotingsjaar betreffende de materiële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.39, eerste lid, van het besluit;
d. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de financiële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.40 van het besluit;
e. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de reserves, naar de indeling van artikel 4.50, eerste lid, van het besluit;
f. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.51 van het besluit;
g. de realisatie van netto-kosten naar beleidsproducten, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
h. de ontvangen belastingopbrengsten, oninbaar en kwijtgescholden bedragen ingedeeld naar de indeling van de opbrengstsoorten 5.1 tot en met 5.7 in bijlage 2 bij deze regeling;
i. de ontvangen belastingopbrengsten, oninbaar en kwijtgescholden bedragen ingedeeld naar de belastingopbrengsten watersysteemheffing, belastingopbrengsten wegenbeheer en de kosten die op grond van artikel 120, eerste lid, tweede volzin, van de wet, rechtstreeks worden toegerekend aan categorieën van belastingplichtigen; en
j. de opbouw van het EMU-saldo volgens de indeling van bijlage 1, onder 2, bij deze regeling.
2. Het CBS beoordeelt de informatie, bedoeld in het eerste lid, op plausibiliteit en stuurt de bevindingen op naar het betreffende dagelijks bestuur.
3. De informatie, bedoeld in de artikelen 4.24en 4.75, eerste lid, van het besluit, wordt voor 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar door het betreffende dagelijks bestuur aan het CBS gezonden.
a. de informatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, waarbij de opbrengstsoorten 5.1 tot en met 5.7, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling, als afzonderlijke bedragen worden vermeld en waarbij de gegevens, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel r, conform de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar worden vermeld;
b. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de immateriële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.38 van het besluit;
c. de stand van zaken aan het begin en einde van het begrotingsjaar betreffende de materiële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.39, eerste lid, van het besluit;
d. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de financiële vaste activa, naar de indeling van artikel 4.40 van het besluit;
e. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de reserves, naar de indeling van artikel 4.50, eerste lid, van het besluit;
f. de stand van zaken aan het begin en het einde van het begrotingsjaar betreffende de voorzieningen, bedoeld in artikel 4.51 van het besluit;
g. de realisatie van netto-kosten naar beleidsproducten, bedoeld in artikel 6, eerste lid;
h. de ontvangen belastingopbrengsten, oninbaar en kwijtgescholden bedragen ingedeeld naar de indeling van de opbrengstsoorten 5.1 tot en met 5.7 in bijlage 2 bij deze regeling;
i. de ontvangen belastingopbrengsten, oninbaar en kwijtgescholden bedragen ingedeeld naar de belastingopbrengsten watersysteemheffing, belastingopbrengsten wegenbeheer en de kosten die op grond van artikel 120, eerste lid, tweede volzin, van de wet, rechtstreeks worden toegerekend aan categorieën van belastingplichtigen; en
j. de opbouw van het EMU-saldo volgens de indeling van bijlage 1, onder 2, bij deze regeling.
2. Het CBS beoordeelt de informatie, bedoeld in het eerste lid, op plausibiliteit en stuurt de bevindingen op naar het betreffende dagelijks bestuur.
3. De informatie, bedoeld in de artikelen 4.24en 4.75, eerste lid, van het besluit, wordt voor 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar door het betreffende dagelijks bestuur aan het CBS gezonden.