BWBR0024755
Geldig vanaf 2016-03-10
Artikel 2
Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties beroepen in de individuele gezondheidszorg
1. De aanvraag tot een erkenning van beroepskwalificaties, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, onderdeel c, en artikel 45, eerste lid, onderdeel c, van de wet BIG, geschiedt met gebruikmaking van een daarvoor door de minister beschikbaar te stellen aanvraagformulier.
2. Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. het in het eerste lid bedoelde aanvraagformulier;
b. een bewijs van nationaliteit, dan wel indien van toepassing een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht heeft verkregen in een van de landen van de Europese Unie;
c. een gewaarmerkt afschrift van het getuigschrift van het desbetreffende beroep dat door het in het land van herkomst daartoe bij of krachtens de wet bevoegd verklaard gezag is afgegeven;
d. het programma van de opleiding tot het desbetreffende beroep, onderverdeeld in theorie en praktijkvakken, met opgave van de duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling waarbij de aanvrager het getuigschrift heeft behaald;
e. een document niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de rechten tot de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend is verloren;
f. indien de aanvrager houder is van een getuigschrift afgegeven in een ander land dan de betrokken staat, een verklaring waaruit blijkt: – dat het getuigschrift door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat is erkend;
– dat de houder een beroepservaring heeft van ten minste drie jaar in de betrokken staat; en
– voor zover de verklaring betrekking heeft op een beroep dat valt onder titel III van hoofdstuk III van de richtlijn dat bij de eerste erkenning rekening is gehouden met de in genoemd hoofdstuk van de richtlijn bedoelde minimum opleidingseisen;
– dat het getuigschrift door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat is erkend;
– dat de houder een beroepservaring heeft van ten minste drie jaar in de betrokken staat; en
– voor zover de verklaring betrekking heeft op een beroep dat valt onder titel III van hoofdstuk III van de richtlijn dat bij de eerste erkenning rekening is gehouden met de in genoemd hoofdstuk van de richtlijn bedoelde minimum opleidingseisen;
g. bewijsstukken van eventuele beroepservaring en aanvullend onderwijs.
3. De bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, zijn gesteld in het Nederlands of Engels, dan wel door een beëdigd vertaler in een van deze talen vertaald.
4. Indien het document, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, niet wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten, wordt dit vervangen door een attest, niet ouder dan drie maanden, afgegeven door een bevoegde, gerechtelijke autoriteit, een andere bevoegde overheidsautoriteit, een notaris of een bevoegde beroepsvereniging in het land van herkomst, waaruit blijkt dat de aanvrager tegenover die instantie of functionaris onder ede, dan wel plechtig heeft verklaard, dat ten aanzien van hem geen maatregel van kracht is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e.
5. Van de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de instelling die het desbetreffende document heeft afgegeven, of door de daartoe bevoegde autoriteit in een lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Van het attest, bedoeld in het vierde lid, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de betreffende autoriteit, notaris, bevoegde beroepsvereniging als bedoeld in dat artikellid, dan wel door een in Nederland gevestigde notaris.
2. Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
a. het in het eerste lid bedoelde aanvraagformulier;
b. een bewijs van nationaliteit, dan wel indien van toepassing een bewijsmiddel waaruit blijkt dat de aanvrager het verblijfsrecht heeft verkregen in een van de landen van de Europese Unie;
c. een gewaarmerkt afschrift van het getuigschrift van het desbetreffende beroep dat door het in het land van herkomst daartoe bij of krachtens de wet bevoegd verklaard gezag is afgegeven;
d. het programma van de opleiding tot het desbetreffende beroep, onderverdeeld in theorie en praktijkvakken, met opgave van de duur van het onderwijs in die vakken, afkomstig van de instelling waarbij de aanvrager het getuigschrift heeft behaald;
e. een document niet ouder dan drie maanden, waaruit blijkt dat ten aanzien van de aanvrager geen maatregel berustend op een in het buitenland gegeven rechterlijke, tuchtrechtelijke of bestuursrechtelijke beslissing van kracht is, op grond waarvan de rechten tot de uitoefening van het betrokken beroep in het land waar de beslissing is gegeven, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend is verloren;
f. indien de aanvrager houder is van een getuigschrift afgegeven in een ander land dan de betrokken staat, een verklaring waaruit blijkt: – dat het getuigschrift door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat is erkend;
– dat de houder een beroepservaring heeft van ten minste drie jaar in de betrokken staat; en
– voor zover de verklaring betrekking heeft op een beroep dat valt onder titel III van hoofdstuk III van de richtlijn dat bij de eerste erkenning rekening is gehouden met de in genoemd hoofdstuk van de richtlijn bedoelde minimum opleidingseisen;
– dat het getuigschrift door het daarvoor bevoegd gezag van de betrokken staat is erkend;
– dat de houder een beroepservaring heeft van ten minste drie jaar in de betrokken staat; en
– voor zover de verklaring betrekking heeft op een beroep dat valt onder titel III van hoofdstuk III van de richtlijn dat bij de eerste erkenning rekening is gehouden met de in genoemd hoofdstuk van de richtlijn bedoelde minimum opleidingseisen;
g. bewijsstukken van eventuele beroepservaring en aanvullend onderwijs.
3. De bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, zijn gesteld in het Nederlands of Engels, dan wel door een beëdigd vertaler in een van deze talen vertaald.
4. Indien het document, bedoeld in het tweede lid, onderdeel e, niet wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten, wordt dit vervangen door een attest, niet ouder dan drie maanden, afgegeven door een bevoegde, gerechtelijke autoriteit, een andere bevoegde overheidsautoriteit, een notaris of een bevoegde beroepsvereniging in het land van herkomst, waaruit blijkt dat de aanvrager tegenover die instantie of functionaris onder ede, dan wel plechtig heeft verklaard, dat ten aanzien van hem geen maatregel van kracht is als bedoeld in het tweede lid, onderdeel e.
5. Van de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen c tot en met g, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de instelling die het desbetreffende document heeft afgegeven, of door de daartoe bevoegde autoriteit in een lidstaat van de Europese Unie of andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland. Van het attest, bedoeld in het vierde lid, wordt het originele exemplaar verstrekt dan wel een kopie die is gewaarmerkt door de betreffende autoriteit, notaris, bevoegde beroepsvereniging als bedoeld in dat artikellid, dan wel door een in Nederland gevestigde notaris.