BWBR0024750
Geldig vanaf 2009-11-12
Artikel 6
Tijdelijke subsidieregeling innovatieketen water
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend de volgende aan het meerjarenprogramma toe te rekenen kosten, gemaakt na indiening van de aanvraag, aangemerkt, die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van het meerjarenprogramma en de daaronder vallende projecten en noodzakelijk zijn voor het leveren van een bijdrage aan het doel als bedoeld in artikel 2:
a. het aantal door direct bij het project betrokken personeel gemaakte uren, gebaseerd op een urenverantwoording per werknemer, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief per werknemer, waarbij het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productie-uren per jaar;
b. de specifiek ten behoeve van het project gemaakte kosten, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief, van: 1° machines en apparatuur, met uitzondering van lease;
2° materialen en hulpmiddelen, en
3° derden.
1° machines en apparatuur, met uitzondering van lease;
2° materialen en hulpmiddelen, en
3° derden.
2. Het integrale uurtarief wordt berekend op basis van een gebruikelijke en controleerbare methodiek, die is gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen en wordt bij de aanvraag tot subsidie onderbouwd. Het integrale uurtarief is samengesteld uit de directe personeelskosten en de overheadkosten. Het integrale uurtarief betreft uitsluitend de kosten uit de gewone bedrijfsuitoefening en bevat geen winstopslag. Dit wordt bij de aanvraag onderbouwd.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan bij het niet hanteren van integraal uurtarief op verzoek een vast uurtarief van € 35,– worden gehanteerd of uitgegaan worden van de loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn plus een opslag voor overige algemene kosten van 50% van de loonkosten.
4. De kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting als deze niet in aftrek kan worden gebracht.
5. Onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde uren worden niet de uren van het personeel van bestuursorganen verstaan.
6. De eventuele restwaarde van de speciaal voor het project aangeschafte apparatuur wordt in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.
7. De kosten van het oprichten van de organisatie watersector komen niet voor subsidie in aanmerking.
a. het aantal door direct bij het project betrokken personeel gemaakte uren, gebaseerd op een urenverantwoording per werknemer, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief per werknemer, waarbij het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productie-uren per jaar;
b. de specifiek ten behoeve van het project gemaakte kosten, voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief, van: 1° machines en apparatuur, met uitzondering van lease;
2° materialen en hulpmiddelen, en
3° derden.
1° machines en apparatuur, met uitzondering van lease;
2° materialen en hulpmiddelen, en
3° derden.
2. Het integrale uurtarief wordt berekend op basis van een gebruikelijke en controleerbare methodiek, die is gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen en wordt bij de aanvraag tot subsidie onderbouwd. Het integrale uurtarief is samengesteld uit de directe personeelskosten en de overheadkosten. Het integrale uurtarief betreft uitsluitend de kosten uit de gewone bedrijfsuitoefening en bevat geen winstopslag. Dit wordt bij de aanvraag onderbouwd.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan bij het niet hanteren van integraal uurtarief op verzoek een vast uurtarief van € 35,– worden gehanteerd of uitgegaan worden van de loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het project noodzakelijk zijn plus een opslag voor overige algemene kosten van 50% van de loonkosten.
4. De kosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting als deze niet in aftrek kan worden gebracht.
5. Onder de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde uren worden niet de uren van het personeel van bestuursorganen verstaan.
6. De eventuele restwaarde van de speciaal voor het project aangeschafte apparatuur wordt in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.
7. De kosten van het oprichten van de organisatie watersector komen niet voor subsidie in aanmerking.