BWBR0024708
Geldig vanaf 2025-01-27
Artikel 16
Besluit publieke gezondheid
1. De aanvraag, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, wordt uiterlijk twaalf maanden na het einde van het treffen van de maatregelen ingediend.
2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de maatregelen onafgebroken gedurende één jaar worden getroffen, de aanvraag uiterlijk twaalf maanden na het verstrijken van dat jaar ingediend.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een opgave van de kosten, welke is voorzien van bewijsstukken. Kosten waarvan de hoogte nog niet kan worden vastgesteld, worden geraamd.
4. Onze Minister beslist binnen zes maanden na indiening van de aanvraag.
5. Op verzoek van de aanvrager kan Onze Minister een voorschot verlenen op de bijdrage, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid. Een verzoek daartoe gaat vergezeld van een voorlopige opgave van de kosten.
6. Onze Minister kan de vaststelling van een bijdrage intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling van de bijdrage redelijkerwijze niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager zou zijn vastgesteld, of
b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.
2. In afwijking van het eerste lid wordt, indien de maatregelen onafgebroken gedurende één jaar worden getroffen, de aanvraag uiterlijk twaalf maanden na het verstrijken van dat jaar ingediend.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een opgave van de kosten, welke is voorzien van bewijsstukken. Kosten waarvan de hoogte nog niet kan worden vastgesteld, worden geraamd.
4. Onze Minister beslist binnen zes maanden na indiening van de aanvraag.
5. Op verzoek van de aanvrager kan Onze Minister een voorschot verlenen op de bijdrage, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid. Een verzoek daartoe gaat vergezeld van een voorlopige opgave van de kosten.
6. Onze Minister kan de vaststelling van een bijdrage intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister bij de vaststelling van de bijdrage redelijkerwijze niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager zou zijn vastgesteld, of
b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de ontvanger dit wist of behoorde te weten.