BWBR0024705
Geldig vanaf 2023-06-20
Artikel 20a
Wet publieke gezondheid
1. Onverminderd de inwerkingstelling van bepalingen, bedoeld in paragraaf 8, van hoofdstuk V, bij de toepassing van artikel 20, eerste of tweede lid, kunnen niet in werking gestelde of met toepassing van het tweede lid buiten werking gestelde bepalingen van die paragraaf, indien het belang van de volksgezondheid dit vordert en voor zover het betreft een infectieziekte behorend tot groep A1, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bij regeling van Onze Minister, in werking worden gesteld.
2. Zodra het belang van de volksgezondheid niet langer vordert dat krachtens artikel 20of het eerste lid in werking gestelde bepalingen, bedoeld in paragraaf 8, van hoofdstuk V, in werking zijn, worden deze bepalingen in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bij regeling van Onze Minister buiten werking gesteld.
3. Na de inwerkingtreding van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde regeling, vindt de toepassing van deze wet overeenkomstig die regeling plaats.
4. Na het tot stand komen van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde ministeriële regeling wordt onverwijld een voorstel van wet tot incorporatie van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Artikel 20, vijfde lid, tweede en derde zin, en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Zodra het belang van de volksgezondheid niet langer vordert dat krachtens artikel 20of het eerste lid in werking gestelde bepalingen, bedoeld in paragraaf 8, van hoofdstuk V, in werking zijn, worden deze bepalingen in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, bij regeling van Onze Minister buiten werking gesteld.
3. Na de inwerkingtreding van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde regeling, vindt de toepassing van deze wet overeenkomstig die regeling plaats.
4. Na het tot stand komen van een krachtens het eerste of tweede lid vastgestelde ministeriële regeling wordt onverwijld een voorstel van wet tot incorporatie van die regeling aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Artikel 20, vijfde lid, tweede en derde zin, en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.