BWBR0024682
Geldig vanaf 2015-04-24
Artikel 30
Regeling erkenningen luchtwaardigheid 2008
1. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel a, af nadat de aanvrager heeft aangetoond:
a. dat hij in Nederland is gevestigd; en
b. dat hij aan de erkenningsvoorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage C voldoet; of
c. indien hij een MOA of MOA-F bezit, zijn handboek voorziet van een aanvulling waarin het verschil tussen zijn MOA of MOA-F en de erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel a, is opgenomen.
2. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel b, af nadat de aanvrager heeft aangetoond, dat:
a. hij in Nederland is gevestigd;
b. hij voldoet aan de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part M, subpart G, van verordening (EU) nr. 1321/2014 en
c. zijn handboek voorziet van een aanvulling waarin de verschillen ten opzichte van Part M en Hoofdstuk 5 van de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen worden vermeld.
3. De minister geeft een aanvullende onderhoudserkenning als bedoeld in artikel 29a, tweede lid, onderdelen a en b, af indien de aanvrager zijn handboek heeft aangevuld met een procedure met betrekking tot deze keuringen, inspecties en verklaringen.
4. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel c, af nadat de aanvrager heeft aangetoond, dat:
a. hij in Nederland is gevestigd en
b. hij voldoet aan: 1°. de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part 21, subpart J, van verordening (EU) nr. 748/2012; en
2°. de aanvullende of afwijkende voorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage E.
1°. de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part 21, subpart J, van verordening (EU) nr. 748/2012; en
2°. de aanvullende of afwijkende voorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage E.
5. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel d, af nadat de aanvrager heeft aangetoond dat:
a. hij een vestiging in Nederland heeft;
b. hij aan de criteria voor gekwalificeerde instanties, opgenomen in Bijlage VI van de basisverordening voldoet en
c. zijn handboek een door de minister goedgekeurde keuringsmethodiek bevat voor de keuring van RPA’s tot 150 kg.
a. dat hij in Nederland is gevestigd; en
b. dat hij aan de erkenningsvoorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage C voldoet; of
c. indien hij een MOA of MOA-F bezit, zijn handboek voorziet van een aanvulling waarin het verschil tussen zijn MOA of MOA-F en de erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel a, is opgenomen.
2. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel b, af nadat de aanvrager heeft aangetoond, dat:
a. hij in Nederland is gevestigd;
b. hij voldoet aan de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part M, subpart G, van verordening (EU) nr. 1321/2014 en
c. zijn handboek voorziet van een aanvulling waarin de verschillen ten opzichte van Part M en Hoofdstuk 5 van de Regeling nationale veiligheidsvoorschriften luchtvaartuigen worden vermeld.
3. De minister geeft een aanvullende onderhoudserkenning als bedoeld in artikel 29a, tweede lid, onderdelen a en b, af indien de aanvrager zijn handboek heeft aangevuld met een procedure met betrekking tot deze keuringen, inspecties en verklaringen.
4. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel c, af nadat de aanvrager heeft aangetoond, dat:
a. hij in Nederland is gevestigd en
b. hij voldoet aan: 1°. de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part 21, subpart J, van verordening (EU) nr. 748/2012; en
2°. de aanvullende of afwijkende voorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage E.
1°. de overeenkomstig van toepassing zijnde voorwaarden van Part 21, subpart J, van verordening (EU) nr. 748/2012; en
2°. de aanvullende of afwijkende voorwaarden opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage E.
5. De minister geeft een erkenning als bedoeld in artikel 29a, eerste lid, onderdeel d, af nadat de aanvrager heeft aangetoond dat:
a. hij een vestiging in Nederland heeft;
b. hij aan de criteria voor gekwalificeerde instanties, opgenomen in Bijlage VI van de basisverordening voldoet en
c. zijn handboek een door de minister goedgekeurde keuringsmethodiek bevat voor de keuring van RPA’s tot 150 kg.