BWBR0024539
Geldig vanaf 2022-07-11
Artikel 32a
Uitvoeringsregeling visserij
1. Onverminderd artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij, zijn de zeevisserij en de kustvisserij verboden in de periode van 1 september tot en met 28 februari, of in een schrikkeljaar tot en met 29 februari, en is de binnenvisserij verboden in de periode van 1 september tot en met 30 november met de volgende vistuigen:
a. aaldogger als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
b. aalfuik als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
c. aalhoekwant als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
d. aalkistje als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
e. aalzegen als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
f. ankerkuil als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
g. electrovisapparaat als bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
h. peur als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de wet;
i. visfuik als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
j. kubbe; of
k. enig ander vistuig, niet zijnde een hengel, dat in hoofdzaak gebruikt wordt of bestemd is voor de vangst van aal.
2. Het is verboden om in de perioden, genoemd in het eerste lid, een vistuig als genoemd in het eerste lid, voorhanden te hebben op of in de nabijheid van de Nederlandse wateren waarvoor het verbod, genoemd in het eerste lid, geldt.
3. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en in het tweede lid, wordt vrijstelling verleend voor de zee- en kustvisserij met een drijvend of in de waterkolom zwevend vistuig bestaande uit een lange lijn met daaraan aan zijlijntjes bevestigde enkeltandige haken, waarvan de kortste afstand tussen de punt en de steel ten minste 10 mm bedraagt, die de zeebodem niet raken.
a. aaldogger als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
b. aalfuik als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
c. aalhoekwant als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
d. aalkistje als bedoeld in artikel 1, onderdeel g, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
e. aalzegen als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
f. ankerkuil als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
g. electrovisapparaat als bedoeld in artikel 1, onderdeel p, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
h. peur als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de wet;
i. visfuik als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;
j. kubbe; of
k. enig ander vistuig, niet zijnde een hengel, dat in hoofdzaak gebruikt wordt of bestemd is voor de vangst van aal.
2. Het is verboden om in de perioden, genoemd in het eerste lid, een vistuig als genoemd in het eerste lid, voorhanden te hebben op of in de nabijheid van de Nederlandse wateren waarvoor het verbod, genoemd in het eerste lid, geldt.
3. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en in het tweede lid, wordt vrijstelling verleend voor de zee- en kustvisserij met een drijvend of in de waterkolom zwevend vistuig bestaande uit een lange lijn met daaraan aan zijlijntjes bevestigde enkeltandige haken, waarvan de kortste afstand tussen de punt en de steel ten minste 10 mm bedraagt, die de zeebodem niet raken.