BWBR0024254
Geldig vanaf 2008-09-01
Artikel 3
Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008
1. Een opleiding als bedoeld in artikel 2duurt voltijds ten minste drie jaar en omvat ten minste 4.600 uur theoretisch en praktisch onderwijs, waarbij de duur van het klinisch onderwijs ten minste een derde van de minimumduur van de opleiding bedraagt.
2. Het theoretisch en praktisch onderwijs is gericht op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de verloskundige die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5:
a. stellen van een diagnose gebaseerd op anamnese en onderzoek;
b. opstellen van een behandelplan gebaseerd op risicoselectie en beleid;
c. verloskundige zorgverlening;
d. evaluatie van het zorgproces;
e. preventie en voorlichting;
f. professionele ontwikkeling;
g. ontwikkeling van de beroepsgroep;
h. verantwoording van verloskundige zorg;
i. beroepsgeoriënteerd wetenschappelijk onderzoek;
j. functioneren in relatie tot de andere bij de verloskundige zorgverlening betrokken beroepsbeoefenaren;
k. praktijkvoering en ondernemerschap;
l. kwaliteit van zorg.
3. Het praktische onderwijs omvat naast vaardigheidsonderwijs in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5, onder toezicht van een verloskundige.
4. De stages vinden gespreid over de gehele opleiding plaats en hebben een omvang van in totaal ten minste 100 studiepunten, waarvan ten minste 60 studiepunten worden besteed aan stages in de zelfstandige verloskundige praktijk en de resterende 40 studiepunten flexibel zijn te verdelen over de overige relevante sectoren.
5. De stages zijn eerst afgerond indien op de volgende gebieden van zorg ten minste de daarbij genoemde verrichtingen zijn uitgevoerd:
a. prenatale zorg: – inschrijving, anamnese en onderzoek: 50 cliënten;
– zwangerschapscontroles: 300 fysiologische zwangerschappen en 150 pathologische zwangerschappen;
– inschrijving, anamnese en onderzoek: 50 cliënten;
– zwangerschapscontroles: 300 fysiologische zwangerschappen en 150 pathologische zwangerschappen;
b. natale zorg: – begeleiden en eigenhandig verrichten van partus: in totaal 60, waarvan ten minste 30 fysiologisch gestarte partus in de zelfstandige verloskundige praktijk alsmede 8 voltooide thuisbevallingen;
– actieve deelname bij zowel een partus in het geval van een stuitligging als een partus in het geval van een gemelli;
– het zetten en hechten van 5 episiotomieën, waarvan ten hoogste 2 in een gesimuleerde setting;
– het hechten van 5 perineum rupturen;
– algemeen onderzoek van 40 neonatus;
– begeleiden en eigenhandig verrichten van partus: in totaal 60, waarvan ten minste 30 fysiologisch gestarte partus in de zelfstandige verloskundige praktijk alsmede 8 voltooide thuisbevallingen;
– actieve deelname bij zowel een partus in het geval van een stuitligging als een partus in het geval van een gemelli;
– het zetten en hechten van 5 episiotomieën, waarvan ten hoogste 2 in een gesimuleerde setting;
– het hechten van 5 perineum rupturen;
– algemeen onderzoek van 40 neonatus;
c. postnatale zorg: – kraambedcontrole: 120 visites ten behoeve van moeder en kind;
– evaluatie van zorg: 30 onderzoeken, waarvan 10 adviezen inzake preconceptie.
– kraambedcontrole: 120 visites ten behoeve van moeder en kind;
– evaluatie van zorg: 30 onderzoeken, waarvan 10 adviezen inzake preconceptie.
6. Onverminderd het vierde en het vijfde lid voldoen het theoretische en praktische onderwijs ten minste aan de eisen, gesteld in punt 5.5.1 van Bijlage V van richtlijn 2005/36/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
7. Een wijziging van punt 5.5.1 van Bijlage V, bedoeld in het zesde lid, gaat voor de toepassing van het zesde lid gelden met ingang van de dag waarop aan die wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
8. De onderwijsinstellingen die de opleiding verzorgen zijn gedurende het gehele studieprogramma verantwoordelijk voor de coördinatie tussen het theoretisch en praktisch onderwijs.
2. Het theoretisch en praktisch onderwijs is gericht op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de volgende aspecten van de beroepsuitoefening van de verloskundige die betrekking hebben op het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5:
a. stellen van een diagnose gebaseerd op anamnese en onderzoek;
b. opstellen van een behandelplan gebaseerd op risicoselectie en beleid;
c. verloskundige zorgverlening;
d. evaluatie van het zorgproces;
e. preventie en voorlichting;
f. professionele ontwikkeling;
g. ontwikkeling van de beroepsgroep;
h. verantwoording van verloskundige zorg;
i. beroepsgeoriënteerd wetenschappelijk onderzoek;
j. functioneren in relatie tot de andere bij de verloskundige zorgverlening betrokken beroepsbeoefenaren;
k. praktijkvoering en ondernemerschap;
l. kwaliteit van zorg.
3. Het praktische onderwijs omvat naast vaardigheidsonderwijs in ieder geval stages in het werkveld inzake het toepassen van tijdens de studie verworven kennis, inzicht en vaardigheden met betrekking tot het gebied van deskundigheid, bedoeld in artikel 5, onder toezicht van een verloskundige.
4. De stages vinden gespreid over de gehele opleiding plaats en hebben een omvang van in totaal ten minste 100 studiepunten, waarvan ten minste 60 studiepunten worden besteed aan stages in de zelfstandige verloskundige praktijk en de resterende 40 studiepunten flexibel zijn te verdelen over de overige relevante sectoren.
5. De stages zijn eerst afgerond indien op de volgende gebieden van zorg ten minste de daarbij genoemde verrichtingen zijn uitgevoerd:
a. prenatale zorg: – inschrijving, anamnese en onderzoek: 50 cliënten;
– zwangerschapscontroles: 300 fysiologische zwangerschappen en 150 pathologische zwangerschappen;
– inschrijving, anamnese en onderzoek: 50 cliënten;
– zwangerschapscontroles: 300 fysiologische zwangerschappen en 150 pathologische zwangerschappen;
b. natale zorg: – begeleiden en eigenhandig verrichten van partus: in totaal 60, waarvan ten minste 30 fysiologisch gestarte partus in de zelfstandige verloskundige praktijk alsmede 8 voltooide thuisbevallingen;
– actieve deelname bij zowel een partus in het geval van een stuitligging als een partus in het geval van een gemelli;
– het zetten en hechten van 5 episiotomieën, waarvan ten hoogste 2 in een gesimuleerde setting;
– het hechten van 5 perineum rupturen;
– algemeen onderzoek van 40 neonatus;
– begeleiden en eigenhandig verrichten van partus: in totaal 60, waarvan ten minste 30 fysiologisch gestarte partus in de zelfstandige verloskundige praktijk alsmede 8 voltooide thuisbevallingen;
– actieve deelname bij zowel een partus in het geval van een stuitligging als een partus in het geval van een gemelli;
– het zetten en hechten van 5 episiotomieën, waarvan ten hoogste 2 in een gesimuleerde setting;
– het hechten van 5 perineum rupturen;
– algemeen onderzoek van 40 neonatus;
c. postnatale zorg: – kraambedcontrole: 120 visites ten behoeve van moeder en kind;
– evaluatie van zorg: 30 onderzoeken, waarvan 10 adviezen inzake preconceptie.
– kraambedcontrole: 120 visites ten behoeve van moeder en kind;
– evaluatie van zorg: 30 onderzoeken, waarvan 10 adviezen inzake preconceptie.
6. Onverminderd het vierde en het vijfde lid voldoen het theoretische en praktische onderwijs ten minste aan de eisen, gesteld in punt 5.5.1 van Bijlage V van richtlijn 2005/36/EGvan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 september 2005, betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU L 255).
7. Een wijziging van punt 5.5.1 van Bijlage V, bedoeld in het zesde lid, gaat voor de toepassing van het zesde lid gelden met ingang van de dag waarop aan die wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
8. De onderwijsinstellingen die de opleiding verzorgen zijn gedurende het gehele studieprogramma verantwoordelijk voor de coördinatie tussen het theoretisch en praktisch onderwijs.