BWBR0024146
Geldig vanaf 2008-07-10
Artikel 6
Tijdelijke subsidieregeling innovatie binnenvaart
1. Subsidiabele projectkosten zijn uitsluitend:
a. de volgende na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten: 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines, apparatuur en schepen naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode. Voor het totaal van de huurkosten van schepen geldt een maximum van € 50.000;
5°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip bedrijfseconomisch aanvaardbare principes uitgaande van historische kosten en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
6°. naar het oordeel van de Minister relevante kosten van door derden verleende diensten;
1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines, apparatuur en schepen naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode. Voor het totaal van de huurkosten van schepen geldt een maximum van € 50.000;
5°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip bedrijfseconomisch aanvaardbare principes uitgaande van historische kosten en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
6°. naar het oordeel van de Minister relevante kosten van door derden verleende diensten;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.
a. de volgende na indiening van de subsidieaanvraag gemaakte rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen kosten: 1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines, apparatuur en schepen naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode. Voor het totaal van de huurkosten van schepen geldt een maximum van € 50.000;
5°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip bedrijfseconomisch aanvaardbare principes uitgaande van historische kosten en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
6°. naar het oordeel van de Minister relevante kosten van door derden verleende diensten;
1°. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel, waarbij het uurloon wordt berekend aan de hand van het brutoloon volgens de verzamelloonstaat, ingevolge artikel 7.2 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011, te delen door 1650 productieve uren, verhoogd met een forfaitair percentage van 20 voor de werkgeverslasten. In geval van een deeltijds dienstverband wordt het uurloon op voornoemde wijze berekend na omrekening van het brutoloon naar een voltijds dienstverband;
2°. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;
4°. huurkosten van machines, apparatuur en schepen naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode. Voor het totaal van de huurkosten van schepen geldt een maximum van € 50.000;
5°. afschrijvingskosten van een schip gedurende verletdagen berekend volgens de voor dat schip bedrijfseconomisch aanvaardbare principes uitgaande van historische kosten en onderbouwd door middel van een accountantsverklaring met een maximum van € 50.000;
6°. naar het oordeel van de Minister relevante kosten van door derden verleende diensten;
b. een opslag voor algemene kosten van ten hoogste 50 procent van de in onderdeel a, onder 1°, bedoelde loonkosten.
2. De subsidieaanvrager kan bij de subsidieaanvraag een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, te mogen vervangen door een in zijn organisatie gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dat verzoek gaat vergezeld van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze daarvan en een goedkeurende accountantsverklaring.