BWBR0023902
Geldig vanaf 2008-06-01
Artikel 29
Besluit gebruik burgerservicenummer in de zorg
1. In afwijking van artikel 28kan het burgerservicenummer worden gebruikt door apothekers en bij zorg die per telefoon of per elektronische bericht aan de cliënt wordt verleend, indien:
a. de zorgaanbieder de identiteit van de cliënt aan de hand van de volgende gegevens van de cliënt controleert: 1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
b. de zorgaanbieder bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de cliënt niet is vastgesteld.
2. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan, met betrekking tot cliënten tot de leeftijd van 14 jaar, waarbij het vaststellen van de identiteit overeenkomstig het bij of krachtens de artikelen 5en 6 van de wetbepaalde onmogelijk blijkt, het burgerservicenummer worden gebruikt bij jeugdgezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de Wet publieke gezondheiden bij vaccinaties, opgenomen in een vaccinatieprogramma als bedoeld in artikel 6b van de Wet publieke gezondheid, indien de zorgaanbieder:
a. de identiteit van de cliënt controleert aan de hand van de gegevens genoemd in het eerste lid, onderdeel a, met de persoonslijst met burgerservicenummer die verstrekt is door de gemeente aan de cliënt, en
b. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de cliënt niet is vastgesteld.
3. De zorgaanbieder, bedoeld in het tweede lid, gaat bij elk volgend contact met de cliënt na of de cliënt inmiddels in het bezit is van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplichten gebruikt, indien dit het geval is, dit document eenmalig om de identiteit van de cliënt vast te stellen.
4. Als de cliënt, bedoeld in het tweede en derde lid, de leeftijd van 14 jaren heeft bereikt, stelt de zorgaanbieder, bedoeld in het tweede en derde lid, alsnog eenmalig de identiteit van de cliënt vast overeenkomstig het bepaalde krachtens de artikelen 5en 6 van de wet.
5. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan met betrekking tot een pasgeborene het burgerservicenummer gebruikt worden bij zorg als bedoeld in de artikelen 2.4en 2.11 van het Besluit zorgverzekering, die wordt verleend aan moeder en kind in verband met een bevalling, indien de zorgaanbieder:
a. tijdens de bevalling of direct daarna ter plaatse deze zorg heeft geboden en zich van de identiteit van de pasgeborene heeft kunnen vergewissen als kind van de kraamvrouw,
b. de identiteit en het burgerservicenummer van de kraamvrouw overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 7 van de wet heeft vastgesteld, en
c. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de pasgeborene niet is vastgesteld.
a. de zorgaanbieder de identiteit van de cliënt aan de hand van de volgende gegevens van de cliënt controleert: 1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
1°. geslachtsnaam;
2°. voornamen;
3°. geboortedatum;
4°. postcode van het woonadres;
5°. huisnummer van het woonadres en
b. de zorgaanbieder bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de cliënt niet is vastgesteld.
2. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan, met betrekking tot cliënten tot de leeftijd van 14 jaar, waarbij het vaststellen van de identiteit overeenkomstig het bij of krachtens de artikelen 5en 6 van de wetbepaalde onmogelijk blijkt, het burgerservicenummer worden gebruikt bij jeugdgezondheidszorg als omschreven bij of krachtens de Wet publieke gezondheiden bij vaccinaties, opgenomen in een vaccinatieprogramma als bedoeld in artikel 6b van de Wet publieke gezondheid, indien de zorgaanbieder:
a. de identiteit van de cliënt controleert aan de hand van de gegevens genoemd in het eerste lid, onderdeel a, met de persoonslijst met burgerservicenummer die verstrekt is door de gemeente aan de cliënt, en
b. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de cliënt niet is vastgesteld.
3. De zorgaanbieder, bedoeld in het tweede lid, gaat bij elk volgend contact met de cliënt na of de cliënt inmiddels in het bezit is van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplichten gebruikt, indien dit het geval is, dit document eenmalig om de identiteit van de cliënt vast te stellen.
4. Als de cliënt, bedoeld in het tweede en derde lid, de leeftijd van 14 jaren heeft bereikt, stelt de zorgaanbieder, bedoeld in het tweede en derde lid, alsnog eenmalig de identiteit van de cliënt vast overeenkomstig het bepaalde krachtens de artikelen 5en 6 van de wet.
5. In afwijking van artikel 28, eerste lid, kan met betrekking tot een pasgeborene het burgerservicenummer gebruikt worden bij zorg als bedoeld in de artikelen 2.4en 2.11 van het Besluit zorgverzekering, die wordt verleend aan moeder en kind in verband met een bevalling, indien de zorgaanbieder:
a. tijdens de bevalling of direct daarna ter plaatse deze zorg heeft geboden en zich van de identiteit van de pasgeborene heeft kunnen vergewissen als kind van de kraamvrouw,
b. de identiteit en het burgerservicenummer van de kraamvrouw overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 7 van de wet heeft vastgesteld, en
c. bij het verstrekken van het burgerservicenummer vermeldt dat de identiteit van de pasgeborene niet is vastgesteld.