BWBR0023322
Geldig vanaf 2008-01-17
Artikel 4
Regeling vaststelling bedragen 2008 ex artikelen 2 en 3, Besluit bekostiging financieel toezicht
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 1.400 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 3:8 van de wetdient te worden vastgesteld. In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluitwordt het bedrag alleen in rekening gebracht voor zover dat niet reeds inbegrepen is bij hetgeen op basis van artikel 2in rekening worden gebracht.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 673 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wetdient te worden vastgesteld. In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluitwordt het bedrag alleen in rekening gebracht voor zover dat niet reeds inbegrepen is bij hetgeen op basis van artikel 2in rekening worden gebracht.
3. De bedragen, bedoeld in artikel 3, worden vermeerderd met een bedrag van € 673 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van een aanvraag of tot verlening van de verklaring van geen bezwaar.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.077 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en de onderdelen c en h tot en met w, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 317 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.010 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen x tot en met ffwordt vermeerderd met een bedrag van € 1.010 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld.
8. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:
a. € 673 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:99 van de wet;
b. € 673 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10 van de wet;
c. € 1.077 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een aanbieder van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet;
d. € 1.010 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, van beheerder en bewaarders als bedoeld in artikel 2:67, eerste lid, van de wet en van personen verbonden aan beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 2:68, eerste lid, van de wet;
e. € 1.010 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, verbonden aan een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:96 van de wet, voor zover het niet betreft een persoon die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet;
f. € 317 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor financiële dienstverleners die geen aanbieders van beleggingsobjecten zijn;
g. € 317 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een persoon die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid van het besluit, wordt vastgesteld op € 673 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 3:9 van de wetdient te worden vastgesteld. In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluitwordt het bedrag alleen in rekening gebracht voor zover dat niet reeds inbegrepen is bij hetgeen op basis van artikel 2in rekening worden gebracht.
3. De bedragen, bedoeld in artikel 3, worden vermeerderd met een bedrag van € 673 per persoon van wie de betrouwbaarheid op grond van artikel 4:10 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van een aanvraag of tot verlening van de verklaring van geen bezwaar.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.077 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en de onderdelen c en h tot en met w, wordt telkens vermeerderd met een bedrag van € 317 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel e, wordt vermeerderd met een bedrag van € 1.010 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld ten behoeve van de behandeling van de aanvraag tot verlening van de vergunning;
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdelen x tot en met ffwordt vermeerderd met een bedrag van € 1.010 per persoon van wie de deskundigheid op grond van artikel 4:9 van de wetdient te worden vastgesteld.
8. Het bedrag, bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit, wordt vastgesteld op:
a. € 673 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:99 van de wet;
b. € 673 voor een toetsing van de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:10 van de wet;
c. € 1.077 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een aanbieder van beleggingsobjecten als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de wet;
d. € 1.010 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, van beheerder en bewaarders als bedoeld in artikel 2:67, eerste lid, van de wet en van personen verbonden aan beleggingsmaatschappijen als bedoeld in artikel 2:68, eerste lid, van de wet;
e. € 1.010 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, verbonden aan een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 2:96 van de wet, voor zover het niet betreft een persoon die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet;
f. € 317 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor financiële dienstverleners die geen aanbieders van beleggingsobjecten zijn;
g. € 317 voor een toetsing van de deskundigheid van een persoon als bedoeld in artikel 4:9 van de wet, voor zover het betreft een persoon die ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft, is vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen c, d en f tot en met j, van de wet.