BWBR0023075
Geldig vanaf 2008-02-01
Artikel 3
Bijdragebeschikking Stichting Arbeids- en Opleidingsfonds Rijk
1. Jaarlijks voor 15 oktober voorafgaand aan het boekjaar biedt de stichting een beleidsplan aan met de daarin opgenomen begroting aan de Minister. Hierbij dient de stichting uit te gaan van het totaal van beschikbare middelen.
2. De begroting van de stichting geeft een prognose van de verwachte kasuitgaven en ontvangsten in het begrotingsjaar. Tevens wordt een prognose gegeven van de aan te gane en aangegane verplichtingen voor de komende jaren.
3. Op basis van de begroting, stelt de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel de voorlopige bijdrage aan de stichting vast en deelt dit besluit, uiterlijk voor 1 november voorafgaand aan het boekjaar, mede aan het bestuur van de stichting.
4. De Minister verstrekt uiterlijk per 1 februari van het begrotingsjaar een voorschot van 50% van de voorlopige bijdrage aan de stichting. Per 1 juli van het begrotingsjaar verstrekt de Minister een tweede voorschot van 50%.
5. Na ontvangst van de jaarrekening van het afgelopen jaar met de daarbij behorende accountantsverklaring wordt de in de meerjarenraming vastgestelde voorlopige bijdrage omgezet in de definitieve bijdrage van het lopende jaar, mits er geen materiële afwijkingen ten aanzien van deze beschikking worden vermeld. Deze gaat de in de meerjarenraming vastgestelde bijdrage niet te boven.
Het niet verplichte saldo van de definitieve bijdrage zal jaarlijks door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden teruggevorderd. Deze terug te vorderen bijdrage wordt verrekend met het voorschot van het daarop volgende jaar.
6. De in artikel 3, lid 4bedoelde voorschotten, worden verstrekt onder de voorwaarde dat terugbetaling dient te geschieden indien de goedgekeurde accountantsverklaring als bedoeld in artikel 3, lid 5, achterwege blijft.
2. De begroting van de stichting geeft een prognose van de verwachte kasuitgaven en ontvangsten in het begrotingsjaar. Tevens wordt een prognose gegeven van de aan te gane en aangegane verplichtingen voor de komende jaren.
3. Op basis van de begroting, stelt de Minister in overeenstemming met de Centrales van Overheidspersoneel de voorlopige bijdrage aan de stichting vast en deelt dit besluit, uiterlijk voor 1 november voorafgaand aan het boekjaar, mede aan het bestuur van de stichting.
4. De Minister verstrekt uiterlijk per 1 februari van het begrotingsjaar een voorschot van 50% van de voorlopige bijdrage aan de stichting. Per 1 juli van het begrotingsjaar verstrekt de Minister een tweede voorschot van 50%.
5. Na ontvangst van de jaarrekening van het afgelopen jaar met de daarbij behorende accountantsverklaring wordt de in de meerjarenraming vastgestelde voorlopige bijdrage omgezet in de definitieve bijdrage van het lopende jaar, mits er geen materiële afwijkingen ten aanzien van deze beschikking worden vermeld. Deze gaat de in de meerjarenraming vastgestelde bijdrage niet te boven.
Het niet verplichte saldo van de definitieve bijdrage zal jaarlijks door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden teruggevorderd. Deze terug te vorderen bijdrage wordt verrekend met het voorschot van het daarop volgende jaar.
6. De in artikel 3, lid 4bedoelde voorschotten, worden verstrekt onder de voorwaarde dat terugbetaling dient te geschieden indien de goedgekeurde accountantsverklaring als bedoeld in artikel 3, lid 5, achterwege blijft.