BWBR0022914
Geldig vanaf 2007-12-02
Artikel 3
Regeling verlening voorschotten 2007
1. De Minister kan publiekrechtelijke voorschotten aan een derde partij verlenen tot zodanige bedragen als verantwoord is in verband met het bestedings- of uitgavenpatroon dat voortvloeit uit het doel van de overdracht en de daaraan verbonden voorwaarden.
2. In overeenstemming met de Minister van Financiën kan aan een publiekrechtelijk voorschot aan een derde partij, niet zijnde een natuurlijke persoon, de voorwaarde worden verbonden dat het voorschot bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden in een rekening-courant, bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
3. Een ruimer publiekrechtelijk voorschot dan op grond van het eerste lid mogelijk is, kan worden verleend, indien dat vanuit een oogpunt van subsidiebeheer doelmatig is en, in geval het betreft een voorschot aan een derde partij niet zijnde een natuurlijke persoon, indien in overeenstemming met de Minister van Financiën aan het voorschot de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, wordt verbonden.
4. Indien het niet doelmatig is de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, te verbinden aan het voorschot, bedoeld in het derde lid, kan daarvan in overeenstemming met de Minister van Financiën worden afgezien.
5. In afwijking van het eerste lid is een ruimer voorschot aan een internationale instelling mogelijk zonder dat aan het voorschot de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, wordt verbonden, indien in overeenstemming met de Minister van Financiën de doelmatigheid op een andere wijze in acht wordt genomen.
6. De Minister bepaalt of zekerheid moet worden gesteld.
2. In overeenstemming met de Minister van Financiën kan aan een publiekrechtelijk voorschot aan een derde partij, niet zijnde een natuurlijke persoon, de voorwaarde worden verbonden dat het voorschot bij het Ministerie van Financiën wordt aangehouden in een rekening-courant, bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2001.
3. Een ruimer publiekrechtelijk voorschot dan op grond van het eerste lid mogelijk is, kan worden verleend, indien dat vanuit een oogpunt van subsidiebeheer doelmatig is en, in geval het betreft een voorschot aan een derde partij niet zijnde een natuurlijke persoon, indien in overeenstemming met de Minister van Financiën aan het voorschot de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, wordt verbonden.
4. Indien het niet doelmatig is de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid, te verbinden aan het voorschot, bedoeld in het derde lid, kan daarvan in overeenstemming met de Minister van Financiën worden afgezien.
5. In afwijking van het eerste lid is een ruimer voorschot aan een internationale instelling mogelijk zonder dat aan het voorschot de voorwaarde, bedoeld in het derde lid, wordt verbonden, indien in overeenstemming met de Minister van Financiën de doelmatigheid op een andere wijze in acht wordt genomen.
6. De Minister bepaalt of zekerheid moet worden gesteld.