BWBR0022749
Geldig vanaf 2007-11-03
Artikel 12
Tijdelijke subsidieregeling capaciteitsuitbreiding buitenschoolse opvang
1. De subsidie wordt vastgesteld en betaald binnen een maand nadat:
a. door de houder een afschrift is overgelegd van het eerste inspectierapport, vastgesteld op basis van het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, na de datum waarop de voorziening in exploitatie is genomen, en dit rapport geen adviezen aan de gemeente tot het nemen van handhavingmaatregelen bevat, en
b. ten hoogste twaalf maanden zijn verstreken tussen de datum van subsidieverlening en de datum waarop het inspectiebezoek heeft plaatsgevonden dat ten grondslag ligt aan het onder a bedoelde rapport.
2. Indien de houder kan aantonen dat meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen de datum waarop hij de voorziening op grond van artikel 1.45, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalenheeft gemeld aan het college van burgemeester en wethouders en de datum waarop het inspectiebezoek heeft plaatsgevonden dat ten grondslag ligt aan het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt de termijn van twaalf maanden, bedoeld in het eerste lid, onder b, verlengd met het aantal dagen waarmee de termijn van zeven maanden is overschreden.
3. Indien het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder a, één of meer adviezen bevat aan de gemeente tot het nemen van handhavingmaatregelen, en voorafgaand aan de aanvang van de exploitatie geen inspectiebezoek heeft plaatsgevonden, wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, de subsidie vastgesteld en betaald binnen een maand nadat de houder een afschrift heeft overgelegd van het inspectierapport eerstvolgend op het rapport bedoeld in het eerste lid, onder a, indien dit eerstvolgende rapport geen adviezen aan de gemeente bevat tot het nemen van handhavingmaatregelen. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing.
4. De subsidie wordt vastgesteld overeenkomstig de verlening, indien het aantal kindplaatsen, vermeld in een daartoe door de GGD ondertekende verklaring, overeenkomt met het aantal dat is opgegeven bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
5. De subsidie wordt in afwijking van de verlening vastgesteld, indien het aantal kindplaatsen, vermeld in een daartoe door de GGD ondertekende verklaring, lager is dan het aantal dat is opgegeven bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
6. De subsidieverlening kan worden ingetrokken indien op 31 december 2010 niet is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste of tweede lid.
a. door de houder een afschrift is overgelegd van het eerste inspectierapport, vastgesteld op basis van het onderzoek, bedoeld in artikel 1.62, tweede lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, na de datum waarop de voorziening in exploitatie is genomen, en dit rapport geen adviezen aan de gemeente tot het nemen van handhavingmaatregelen bevat, en
b. ten hoogste twaalf maanden zijn verstreken tussen de datum van subsidieverlening en de datum waarop het inspectiebezoek heeft plaatsgevonden dat ten grondslag ligt aan het onder a bedoelde rapport.
2. Indien de houder kan aantonen dat meer dan zeven maanden zijn verstreken tussen de datum waarop hij de voorziening op grond van artikel 1.45, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalenheeft gemeld aan het college van burgemeester en wethouders en de datum waarop het inspectiebezoek heeft plaatsgevonden dat ten grondslag ligt aan het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt de termijn van twaalf maanden, bedoeld in het eerste lid, onder b, verlengd met het aantal dagen waarmee de termijn van zeven maanden is overschreden.
3. Indien het rapport, bedoeld in het eerste lid, onder a, één of meer adviezen bevat aan de gemeente tot het nemen van handhavingmaatregelen, en voorafgaand aan de aanvang van de exploitatie geen inspectiebezoek heeft plaatsgevonden, wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, de subsidie vastgesteld en betaald binnen een maand nadat de houder een afschrift heeft overgelegd van het inspectierapport eerstvolgend op het rapport bedoeld in het eerste lid, onder a, indien dit eerstvolgende rapport geen adviezen aan de gemeente bevat tot het nemen van handhavingmaatregelen. Het eerste lid, onder b, is van overeenkomstige toepassing.
4. De subsidie wordt vastgesteld overeenkomstig de verlening, indien het aantal kindplaatsen, vermeld in een daartoe door de GGD ondertekende verklaring, overeenkomt met het aantal dat is opgegeven bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
5. De subsidie wordt in afwijking van de verlening vastgesteld, indien het aantal kindplaatsen, vermeld in een daartoe door de GGD ondertekende verklaring, lager is dan het aantal dat is opgegeven bij de aanvraag, bedoeld in artikel 7, tweede lid.
6. De subsidieverlening kan worden ingetrokken indien op 31 december 2010 niet is voldaan aan de voorwaarden, genoemd in het eerste of tweede lid.