BWBR0022639
Geldig vanaf 17-10-2007
Artikel 6
Regeling declaratiebepalingen DBC-bedragen en overige bedragen medisch specialistische zorg door of vanwege de zorginstelling
6.1a. Klinische ééndaagse DBC’s (waarbij ééndaagse slaat op een looptijd van één kalenderdag) kunnen niet worden gedeclareerd. Van klinische DBC’s is sprake in geval van opname van de patiënt op de verpleegafdeling, IC, high/medium care. In andere gevallen is sprake van poliklinische of dagverpleging DBC’s.
VB. Begeleiding partus door gynaecoloog op verloskamer: er mag een poloklinische DBC worden gedeclareerd.
VB. PCI (percutane coronaire interventie) door cardioloog, waarna geen opname maar vervoer terug naar verwijzend ziekenhuis: er mag een dagverpleging DBC worden gedeclareerd.
6.1b. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van definitieve overname van de patiënt door een andere instelling, op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care door de initiële instelling. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1c. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van definitieve overname van de patiënt door een ander specialisme binnen dezelfde instelling op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care door de initiële instelling. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1d. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van overlijden van de patiënt op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1e. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van observatie van een patiënt op de verpleegafdeling, IC, high/medium care en ontslag plaatsvindt op de dag van de opname. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
VB. Een patiënt, blootgesteld een giftige stoffen, wordt ter observatie op de verpleegafdeling interne- of kindergeneeskunde opgenomen, maar kan later op de dag weer naar huis. Er kan een klinische eendaagse DBC worden gedeclareerd.
6.2a Het is niet mogelijk om binnen 28 dagen (na afsluiten van de eerste DBC) voor hetzelfde specialisme een poliklinische DBC met hetzelfde zorgtype en diagnose te openen. Indien er abusievelijk binnen 28 dagen toch een tweede poliklinische DBC wordt geregistreerd, kan deze niet worden gedeclareerd.
VB. Een patiënt komt op dag 1, dag 3 en dag 10, waarna poliklinisch ontslag volgt; komt de patiënt na 17 dagen terug met dezelfde diagnose, dan valt dit consult onder de genoemde DBC.
6.2b. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing indien er sprake is van het behandelen van dubbelzijdige organen. 6Zie voor een toelichting de instructies. In dat geval gelden de desbetreffende regels.
6.2c. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing op vervolg DBC’s in het geval van exacerbatie/recidief en de hierdoor optredende verzwaring van de behandelsetting (poliklinisch /dagverpleging /opname) van de vervolg DBC.
6.2d. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing op DBC’s waarvoor in deze nadere regel. in de prestatieomschrijving of in de instructies expliciet is opgenomen dat per verrichting of behandeling het declareren van een afzonderlijke DBC is toegestaan.
VB. Voor een patiënt bij wie herhaalde schokgolfbehandelingen wegens urinestenen (ESWL) nodig zijn, worden evenzoveel (ESWL-) DBC’s gedeclareerd.
VB. Voor een patiënte die ‘reageerbuis’ behandelingen (IVF) ondergaat, wordt per deelbehandeling (bv. stimulatie, bv. punctie) de desbetreffende DBC gedeclareerd.
6.3. Het is niet mogelijk om aansluitend DBC’s van hetzelfde zorgtype en dezelfde diagnose met een veranderende behandelmodaliteit te declareren. In het geval dat er sprake is van het verzwaren van de behandelmodaliteit wordt alleen de DBC met de zwaarste modaliteit in rekening gebracht. Met behandelmodaliteit is bedoeld elke behandelmogelijkheid in de behandelas. De uitzonderingen zoals genoemd onder 6.3b, 6.3c en 6.3d zijn ook hier van toepassing.
VB. Een patiënt met een bepaalde diagnose wordt in dagverpleging behandeld maar later blijkt opname nodig; er kan één klinische DBC worden gedeclareerd.
6.4a. Indien er sprake is van onderlinge dienstverlening wordt alleen door de instelling waar de patiënt als eigen patiënt onder behandeling is een DBC in rekening gebracht. Door de de dienstverlenende instelling wordt noch een DBC noch een overig of ondersteunend product bij de patiënt of verzekeraar in rekening gebracht.
VB. De patiënt wordt naar ziekenhuis B verwezen voor een PET-scan en komt daarna terug naar verwijzend ziekenhuis A. Ziekenhuis B kan de scan alleen aan ziekenhuis A in rekening brengen.
6.4b. De bepaling zoals genoemd bij 6.5a is niet van toepassing op WBMV DBC’s. In dat geval mag er wel een DBC in rekening worden gebracht.
VB. PCI (percutane coronaire interventie) door een cardioloog in ziekenhuis B waarna geen opname maar vervoer terug naar verwijzend ziekenhuis A. Ziekenhuis B kan een WBMV DBC declareren.
6.4c. Diagnostiek op verzoek van de eerste lijn valt niet onder onderlinge dienstverlening. In het geval van productie op verzoek van de eerste lijn wordt er een overig of ondersteunend product in rekening gebracht. Voor productie op verzoek van de eerste lijn kan nooit een DBC in rekening worden gebracht.
VB. De huisarts vraagt de longarts om een longfunctie onderzoek. De patiënt wordt niet verwezen, de huisarts blijft de behandelende arts. De longarts kan een overig product declareren.
VB. Een patiënt doet in een ziekenhuis een fietsproef op verzoek van de huisarts. Zijn hart blijkt in een dusdanig slecht conditie dat de cardioloog de behandeling moet overnemen. Er wordt alleen een reguliere cardiologische DBC in rekening gebracht.
Overige en ondersteunende producten
6.5a. Een overig of ondersteunend product wordt alleen bij patiënt of verzekeraar in rekening gebracht indien (1) er sprake is van productie op verzoek van de eerste lijn en (2) productie aan een ander specialisme, werkzaam binnen dezelfde instelling, waarvoor de DBC-systematiek niet geldt (zoals kaakchirurgie en revalidatiegeneeskunde).
6.5b. Een overig of ondersteunend product wordt dus niet bij patiënt of verzekeraar in rekening gebracht als het overig of ondersteunend product onderdeel uitmaakt van een DBC.
6.6. De zorgtrajecten 41 en 51 kunnen niet worden gedeclareerd. Indien er een prestatieomschrijving is vastgesteld en er aan het eerstelijnscriterium wordt voldaan kan er wel een overig of ondersteunend product in rekening worden gebracht. Ook kunnen er voor zorgtrajecten 41 en 51 geen parameters ten behoeve van FB budget en lumpsum worden geregistreerd.
VB. Begeleiding partus door gynaecoloog op verloskamer: er mag een poloklinische DBC worden gedeclareerd.
VB. PCI (percutane coronaire interventie) door cardioloog, waarna geen opname maar vervoer terug naar verwijzend ziekenhuis: er mag een dagverpleging DBC worden gedeclareerd.
6.1b. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van definitieve overname van de patiënt door een andere instelling, op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care door de initiële instelling. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1c. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van definitieve overname van de patiënt door een ander specialisme binnen dezelfde instelling op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care door de initiële instelling. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1d. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van overlijden van de patiënt op de dag van opname op de verpleegafdeling, IC, high/medium care. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
6.1e. De bepaling zoals genoemd bij 6.2a is niet van toepassing indien er sprake is van observatie van een patiënt op de verpleegafdeling, IC, high/medium care en ontslag plaatsvindt op de dag van de opname. In dat geval kan er wel een klinische ééndaagse DBC worden gedeclareerd.
VB. Een patiënt, blootgesteld een giftige stoffen, wordt ter observatie op de verpleegafdeling interne- of kindergeneeskunde opgenomen, maar kan later op de dag weer naar huis. Er kan een klinische eendaagse DBC worden gedeclareerd.
6.2a Het is niet mogelijk om binnen 28 dagen (na afsluiten van de eerste DBC) voor hetzelfde specialisme een poliklinische DBC met hetzelfde zorgtype en diagnose te openen. Indien er abusievelijk binnen 28 dagen toch een tweede poliklinische DBC wordt geregistreerd, kan deze niet worden gedeclareerd.
VB. Een patiënt komt op dag 1, dag 3 en dag 10, waarna poliklinisch ontslag volgt; komt de patiënt na 17 dagen terug met dezelfde diagnose, dan valt dit consult onder de genoemde DBC.
6.2b. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing indien er sprake is van het behandelen van dubbelzijdige organen. 6Zie voor een toelichting de instructies. In dat geval gelden de desbetreffende regels.
6.2c. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing op vervolg DBC’s in het geval van exacerbatie/recidief en de hierdoor optredende verzwaring van de behandelsetting (poliklinisch /dagverpleging /opname) van de vervolg DBC.
6.2d. De bepaling zoals genoemd bij 6.3a is niet van toepassing op DBC’s waarvoor in deze nadere regel. in de prestatieomschrijving of in de instructies expliciet is opgenomen dat per verrichting of behandeling het declareren van een afzonderlijke DBC is toegestaan.
VB. Voor een patiënt bij wie herhaalde schokgolfbehandelingen wegens urinestenen (ESWL) nodig zijn, worden evenzoveel (ESWL-) DBC’s gedeclareerd.
VB. Voor een patiënte die ‘reageerbuis’ behandelingen (IVF) ondergaat, wordt per deelbehandeling (bv. stimulatie, bv. punctie) de desbetreffende DBC gedeclareerd.
6.3. Het is niet mogelijk om aansluitend DBC’s van hetzelfde zorgtype en dezelfde diagnose met een veranderende behandelmodaliteit te declareren. In het geval dat er sprake is van het verzwaren van de behandelmodaliteit wordt alleen de DBC met de zwaarste modaliteit in rekening gebracht. Met behandelmodaliteit is bedoeld elke behandelmogelijkheid in de behandelas. De uitzonderingen zoals genoemd onder 6.3b, 6.3c en 6.3d zijn ook hier van toepassing.
VB. Een patiënt met een bepaalde diagnose wordt in dagverpleging behandeld maar later blijkt opname nodig; er kan één klinische DBC worden gedeclareerd.
6.4a. Indien er sprake is van onderlinge dienstverlening wordt alleen door de instelling waar de patiënt als eigen patiënt onder behandeling is een DBC in rekening gebracht. Door de de dienstverlenende instelling wordt noch een DBC noch een overig of ondersteunend product bij de patiënt of verzekeraar in rekening gebracht.
VB. De patiënt wordt naar ziekenhuis B verwezen voor een PET-scan en komt daarna terug naar verwijzend ziekenhuis A. Ziekenhuis B kan de scan alleen aan ziekenhuis A in rekening brengen.
6.4b. De bepaling zoals genoemd bij 6.5a is niet van toepassing op WBMV DBC’s. In dat geval mag er wel een DBC in rekening worden gebracht.
VB. PCI (percutane coronaire interventie) door een cardioloog in ziekenhuis B waarna geen opname maar vervoer terug naar verwijzend ziekenhuis A. Ziekenhuis B kan een WBMV DBC declareren.
6.4c. Diagnostiek op verzoek van de eerste lijn valt niet onder onderlinge dienstverlening. In het geval van productie op verzoek van de eerste lijn wordt er een overig of ondersteunend product in rekening gebracht. Voor productie op verzoek van de eerste lijn kan nooit een DBC in rekening worden gebracht.
VB. De huisarts vraagt de longarts om een longfunctie onderzoek. De patiënt wordt niet verwezen, de huisarts blijft de behandelende arts. De longarts kan een overig product declareren.
VB. Een patiënt doet in een ziekenhuis een fietsproef op verzoek van de huisarts. Zijn hart blijkt in een dusdanig slecht conditie dat de cardioloog de behandeling moet overnemen. Er wordt alleen een reguliere cardiologische DBC in rekening gebracht.
Overige en ondersteunende producten
6.5a. Een overig of ondersteunend product wordt alleen bij patiënt of verzekeraar in rekening gebracht indien (1) er sprake is van productie op verzoek van de eerste lijn en (2) productie aan een ander specialisme, werkzaam binnen dezelfde instelling, waarvoor de DBC-systematiek niet geldt (zoals kaakchirurgie en revalidatiegeneeskunde).
6.5b. Een overig of ondersteunend product wordt dus niet bij patiënt of verzekeraar in rekening gebracht als het overig of ondersteunend product onderdeel uitmaakt van een DBC.
6.6. De zorgtrajecten 41 en 51 kunnen niet worden gedeclareerd. Indien er een prestatieomschrijving is vastgesteld en er aan het eerstelijnscriterium wordt voldaan kan er wel een overig of ondersteunend product in rekening worden gebracht. Ook kunnen er voor zorgtrajecten 41 en 51 geen parameters ten behoeve van FB budget en lumpsum worden geregistreerd.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0022639
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl