BWBR0022190
Geldig vanaf 2007-07-08
Artikel 11
Subsidieregeling Point One Boegbeeld-module 2007 van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten
1. Er is een Adviescommissie Boegbeeldprogramma, die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren over aanvragen om subsidie voor een R&D-project. Artikel 6 van de kaderregelingis van toepassing.
2. De Minister wint over de aanvragen om een subsidie voor een R&D-project, waarop niet op grond van artikel 15 van de kaderregelingof 10van deze regeling afwijzend wordt beslist, het advies in van de adviescommissie.
3. De Minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan:
a. de doelstellingen van het in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen programma;
b. de kwaliteit van de samenwerking, ten minste blijkend uit de mate van betrokkenheid van MKB-ondernemingen en het effect van het project op MKB-ondernemingen alsmede de mate van samenwerking met onderzoeksorganisaties;
c. technologische innovatie;
d. het duurzaam economisch perspectief, ten minste blijkend uit de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten alsmede het perspectief op arbeidsplaatsen of kennisuitwisseling met human capital.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid vermelde criteria even zwaar.
2. De Minister wint over de aanvragen om een subsidie voor een R&D-project, waarop niet op grond van artikel 15 van de kaderregelingof 10van deze regeling afwijzend wordt beslist, het advies in van de adviescommissie.
3. De Minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan:
a. de doelstellingen van het in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen programma;
b. de kwaliteit van de samenwerking, ten minste blijkend uit de mate van betrokkenheid van MKB-ondernemingen en het effect van het project op MKB-ondernemingen alsmede de mate van samenwerking met onderzoeksorganisaties;
c. technologische innovatie;
d. het duurzaam economisch perspectief, ten minste blijkend uit de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten alsmede het perspectief op arbeidsplaatsen of kennisuitwisseling met human capital.
4. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid vermelde criteria even zwaar.