BWBR0021764
Geldig vanaf 2007-04-28
Artikel 9
Subsidieregeling Beroepsonderwijs in Bedrijf
De Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de regeling;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het samenwerkingsverband de capaciteiten heeft om het project naar behoren uit te voeren;
c. de voor rekening van de deelnemers blijvende subsidiabele kosten voor meer dan 60 procent voor rekening komen van de deelnemende ondernemers tezamen, dan wel van de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen tezamen;
d. de personele inbreng in de uitvoering van het project niet evenredig is verdeeld over de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen en de deelnemende ondernemers;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
f. onvoldoende aannemelijk is dat de samenwerking leidt tot verbetering van het praktijkleren;
g. de kosten van het project niet in verhouding zijn met de activiteiten en de te verwachten resultaten, met name voor de MKB-ondernemers;
h. het niet aannemelijk is dat de activiteiten bedoeld in artikel 1, onderdeel g, 1e, binnen zes maanden na subsidieverlening worden afgerond;
i. het niet aannemelijk is dat het vernieuwingstraject binnen drie jaar kan worden voltooid;
j. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, 3e, indien het project mede is gericht op duurzame verankering als daar bedoeld.
a. de aanvraag niet voldoet aan de regeling;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het samenwerkingsverband de capaciteiten heeft om het project naar behoren uit te voeren;
c. de voor rekening van de deelnemers blijvende subsidiabele kosten voor meer dan 60 procent voor rekening komen van de deelnemende ondernemers tezamen, dan wel van de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen tezamen;
d. de personele inbreng in de uitvoering van het project niet evenredig is verdeeld over de deelnemende beroepsonderwijsinstellingen en de deelnemende ondernemers;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
f. onvoldoende aannemelijk is dat de samenwerking leidt tot verbetering van het praktijkleren;
g. de kosten van het project niet in verhouding zijn met de activiteiten en de te verwachten resultaten, met name voor de MKB-ondernemers;
h. het niet aannemelijk is dat de activiteiten bedoeld in artikel 1, onderdeel g, 1e, binnen zes maanden na subsidieverlening worden afgerond;
i. het niet aannemelijk is dat het vernieuwingstraject binnen drie jaar kan worden voltooid;
j. onvoldoende vertrouwen bestaat in de structurele voortzetting van de activiteiten, bedoeld in artikel 1, onderdeel g, 3e, indien het project mede is gericht op duurzame verankering als daar bedoeld.