BWBR0021764
Geldig vanaf 2007-04-28
Artikel 5
Subsidieregeling Beroepsonderwijs in Bedrijf
1. Als subsidiabele kosten van een project worden uitsluitend in aanmerking genomen:
de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:
a. het aantal na de indiening van de aanvraag door direct bij het project betrokken personeel van de ondernemer gemaakte uren, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief dat de subsidieontvanger hanteert voor dat personeel, dan wel met het in het derde lid bedoelde tarief;
b. het aantal na de indiening van de aanvraag door direct bij het project betrokken personeel van de beroepsonderwijsinstelling gemaakte uren, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief dat de subsidieontvanger hanteert voor dat personeel, dan wel met het in het derde lid bedoelde tarief;
c. de specifiek ten behoeve van het project gemaakte en betaalde kosten voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief.
2. Het in het eerste lid bedoelde integrale uurtarief wordt berekend op basis van een binnen de organisatie gebruikelijke en controleerbare methodiek, die is gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Het integrale uurtarief is samengesteld uit de directe personeelskosten en de indirecte kosten. Het integrale uurtarief betreft uitsluitend de kosten uit de gewone bedrijfsuitoefening en bevat geen winstopslag.
3. Indien de subsidieontvanger geen integraal uurtarief hanteert, dan wordt op diens verzoek dit tarief vervangen door een vast uurtarief van € 35.
4. De in het eerste lid, onder c, bedoelde kosten worden slechts in aanmerking genomen voor zover ze na de indiening van de aanvraag zijn gemaakt. Eventuele restwaarde van speciaal voor het project aangeschafte apparatuur wordt in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.
5. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die vergoed kunnen worden op grond van dit artikel worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Kosten, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gemaakt in het kader van het project en verschuldigd aan een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zijn niet subsidiabel, voor zover hiervoor reeds aanspraak is gedaan op bekostiging uit ’s Rijks kas op grond van artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.
de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:
a. het aantal na de indiening van de aanvraag door direct bij het project betrokken personeel van de ondernemer gemaakte uren, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief dat de subsidieontvanger hanteert voor dat personeel, dan wel met het in het derde lid bedoelde tarief;
b. het aantal na de indiening van de aanvraag door direct bij het project betrokken personeel van de beroepsonderwijsinstelling gemaakte uren, vermenigvuldigd met het in het tweede lid bedoelde integrale uurtarief dat de subsidieontvanger hanteert voor dat personeel, dan wel met het in het derde lid bedoelde tarief;
c. de specifiek ten behoeve van het project gemaakte en betaalde kosten voor zover deze niet zijn opgenomen in het integrale uurtarief.
2. Het in het eerste lid bedoelde integrale uurtarief wordt berekend op basis van een binnen de organisatie gebruikelijke en controleerbare methodiek, die is gebaseerd op bedrijfseconomisch en maatschappelijk aanvaardbare grondslagen. Het integrale uurtarief is samengesteld uit de directe personeelskosten en de indirecte kosten. Het integrale uurtarief betreft uitsluitend de kosten uit de gewone bedrijfsuitoefening en bevat geen winstopslag.
3. Indien de subsidieontvanger geen integraal uurtarief hanteert, dan wordt op diens verzoek dit tarief vervangen door een vast uurtarief van € 35.
4. De in het eerste lid, onder c, bedoelde kosten worden slechts in aanmerking genomen voor zover ze na de indiening van de aanvraag zijn gemaakt. Eventuele restwaarde van speciaal voor het project aangeschafte apparatuur wordt in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.
5. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, die vergoed kunnen worden op grond van dit artikel worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
6. Kosten, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, gemaakt in het kader van het project en verschuldigd aan een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven, als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b2, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, zijn niet subsidiabel, voor zover hiervoor reeds aanspraak is gedaan op bekostiging uit ’s Rijks kas op grond van artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs.