BWBR0021624
Geldig vanaf 2007-04-01
Artikel 4
Beleidsregels inzake ontheffing verbod van kinderarbeid
1. Uitsluitend indien de noodzaak daartoe wordt aangetoond in een plan van aanpak, wordt, in afwijking van artikel 2, aanhef en sub c en d, bij het verlenen van een ontheffing in acht genomen, dat dat kind:
a. ten hoogste 8 maal per jaar arbeid verricht met een maximum met 3 maal per week;
b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren, waarin de periode tussen 23.00 uur en 08.00 uur begrepen is, en
c. niet langer dan 7 uren per dag en 12 uren per week arbeid verricht.
Indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur dan wordt de arbeid afgewisseld met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
2. Uitsluitend indien de noodzaak daartoe wordt aangetoond in een plan van aanpak, wordt, in afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en sub c en f, bij het verlenen van een ontheffing in acht genomen, dat dat kind:
a. ten hoogste 24 maal per jaar arbeid verricht met een maximum met 3 maal per week, en
b. niet langer dan 7 uren per dag en 12 uren per week arbeid verricht.
Indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur dan wordt de arbeid afgewisseld met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
3. In een plan van aanpak als bedoeld in het eerste of tweede lid geeft de werkgever aan:
a. de rol van het kind;
b. de wijze waarop de selectie, voorarbeid en arbeid plaatsvindt;
c. de wijze waarop de deskundige begeleiding, opvang en nazorg is georganiseerd, en
d. de arbeids- en rusttijden die voor het kind worden gehanteerd.
4. Indien sprake is van schoolverzuim wordt in het plan van aanpak tevens:
a. de noodzaak van het schoolverzuim aangetoond;
b. een verklaring gevoegd waaruit blijkt dat het schoolhoofd voor dat schoolverzuim toestemming geeft, en
c. aangegeven op welke wijze huiswerkbegeleiding en het contact met de leerkracht is georganiseerd.
5. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden omtrent de maximaal toegestane totale duur van de niet-industriële arbeid van lichte aard.
a. ten hoogste 8 maal per jaar arbeid verricht met een maximum met 3 maal per week;
b. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke aaneengesloten periode van 24 uren, waarin de periode tussen 23.00 uur en 08.00 uur begrepen is, en
c. niet langer dan 7 uren per dag en 12 uren per week arbeid verricht.
Indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur dan wordt de arbeid afgewisseld met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
2. Uitsluitend indien de noodzaak daartoe wordt aangetoond in een plan van aanpak, wordt, in afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en sub c en f, bij het verlenen van een ontheffing in acht genomen, dat dat kind:
a. ten hoogste 24 maal per jaar arbeid verricht met een maximum met 3 maal per week, en
b. niet langer dan 7 uren per dag en 12 uren per week arbeid verricht.
Indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur dan wordt de arbeid afgewisseld met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.
3. In een plan van aanpak als bedoeld in het eerste of tweede lid geeft de werkgever aan:
a. de rol van het kind;
b. de wijze waarop de selectie, voorarbeid en arbeid plaatsvindt;
c. de wijze waarop de deskundige begeleiding, opvang en nazorg is georganiseerd, en
d. de arbeids- en rusttijden die voor het kind worden gehanteerd.
4. Indien sprake is van schoolverzuim wordt in het plan van aanpak tevens:
a. de noodzaak van het schoolverzuim aangetoond;
b. een verklaring gevoegd waaruit blijkt dat het schoolhoofd voor dat schoolverzuim toestemming geeft, en
c. aangegeven op welke wijze huiswerkbegeleiding en het contact met de leerkracht is georganiseerd.
5. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden omtrent de maximaal toegestane totale duur van de niet-industriële arbeid van lichte aard.