BWBR0020828
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 96
Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet
1. Als de uitoefening van het bedrijf van levensverzekeraar of het bedrijf van schadeverzekeraar wordt niet beschouwd:
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door ondernemingen of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.
2. De <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op het financieel toezicht</a>is, met uitzondering van het <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemeen Deel</a>en het <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Deel Gedragstoezicht financiële markten</a>, niet van toepassing zolang sprake is van spaarfondsen als bedoeld in artikel 5en van:
a. het verlenen van financiële diensten door ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de onderneming waarmee zij zijn verbonden; en
b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
a. het sluiten of afwikkelen van levensverzekeringen onderscheidenlijk schadeverzekeringen voor eigen rekening door ondernemingen of pensioeninstellingen die voor eigen rekening geen andere levensverzekeringen of schadeverzekeringen sluiten of afwikkelen dan die welke dienen ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 19; en
b. het handelen van een ondernemingsspaarfonds ter uitvoering van een door een werkgever getroffen regeling tot sparen voor een uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening zolang sprake is van een spaarfonds als bedoeld in artikel 5.
2. De <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op het financieel toezicht</a>is, met uitzondering van het <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Algemeen Deel</a>en het <a href="/wet/BWBR0020368" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Deel Gedragstoezicht financiële markten</a>, niet van toepassing zolang sprake is van spaarfondsen als bedoeld in artikel 5en van:
a. het verlenen van financiële diensten door ondernemingsspaarfondsen voorzover zij die financiële diensten verlenen aan de onderneming waarmee zij zijn verbonden; en
b. het beheren van individuele vermogens ten behoeve van ondernemingsspaarfondsen als bedoeld in onderdeel a of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.