BWBR0020750
Geldig vanaf 2011-01-31
Artikel IX
Besluit implementatie kapitaalakkoord Bazel 2
1. De Nederlandsche Bank kan tot en met 31 december 2009 een financiële onderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wftdie een verzoek als bedoeld in artikel 69, vierde lid, van dat koninklijk besluitheeft ingediend, in geval van inwilliging van dat verzoek toestaan dat in plaats van de termijn van drie jaren een kortere termijn geldt, met dien verstande dat deze termijn niet korter is dan een jaar.
2. De Nederlandsche Bank kan tot en met 31 december 2008 op verzoek van een financiële onderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wftdie artikel 69, vijfde lid, van dat koninklijk besluittoepast, toestaan dat in plaats van de termijn van drie jaren een termijn van twee jaren geldt.
3. De Nederlandsche Bank kan een financiële onderneming toestaan dat artikel 94, eerste en tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wftzoals dit luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel tot 1 januari 2013 van toepassing blijft op deelnemingen als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wftdie vóór 20 juli 2006 zijn verworven.
4. De Nederlandsche Bank kan toestaan dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 70, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wftmet zetel in Nederland in afwijking van dat lid tot 1 januari 2018 in plaats van een interne modellenmethode de artikelen 60 tot en met 61a van het Besluit prudentiële regels Wfttoepast op posities in aandelen die zij op 31 december 2007 aanhield.
5. Tot 1 januari 2012 kan de Nederlandsche Bank in het geval van vorderingen op ondernemingen in plaats van de termijn van negentig dagen in de definitie van wanbetaling in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wfteen langere termijn vaststellen. De termijn is niet langer dan 180 dagen of, in het geval van vorderingen op ondernemingen met zetel in een andere lidstaat, niet langer dan de termijn die door de toezichthoudende instantie van die lidstaat is vastgesteld.
2. De Nederlandsche Bank kan tot en met 31 december 2008 op verzoek van een financiële onderneming als bedoeld in artikel 69, eerste lid, van het Besluit prudentiële regels Wftdie artikel 69, vijfde lid, van dat koninklijk besluittoepast, toestaan dat in plaats van de termijn van drie jaren een termijn van twee jaren geldt.
3. De Nederlandsche Bank kan een financiële onderneming toestaan dat artikel 94, eerste en tweede lid, van het Besluit prudentiële regels Wftzoals dit luidde voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel tot 1 januari 2013 van toepassing blijft op deelnemingen als bedoeld in artikel 94, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit prudentiële regels Wftdie vóór 20 juli 2006 zijn verworven.
4. De Nederlandsche Bank kan toestaan dat een financiële onderneming als bedoeld in artikel 70, derde lid, van het Besluit prudentiële regels Wftmet zetel in Nederland in afwijking van dat lid tot 1 januari 2018 in plaats van een interne modellenmethode de artikelen 60 tot en met 61a van het Besluit prudentiële regels Wfttoepast op posities in aandelen die zij op 31 december 2007 aanhield.
5. Tot 1 januari 2012 kan de Nederlandsche Bank in het geval van vorderingen op ondernemingen in plaats van de termijn van negentig dagen in de definitie van wanbetaling in artikel 1 van het Besluit prudentiële regels Wfteen langere termijn vaststellen. De termijn is niet langer dan 180 dagen of, in het geval van vorderingen op ondernemingen met zetel in een andere lidstaat, niet langer dan de termijn die door de toezichthoudende instantie van die lidstaat is vastgesteld.