BWBR0020646
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 4
Regeling vrijwillige inburgering niet-G31 2007
1. Het college of het bestuur kan aan een inburgeraar een inburgeringsvoorziening of een gecombineerde inburgeringsvoorziening aanbieden die op de persoonlijke situatie van de inburgeraar is afgestemd. Indien de inburgeraar daarom verzoekt, kan de inburgeringsvoorziening of de inburgeringscomponent van de gecombineerde inburgeringsvoorziening worden aangeboden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college of bestuur aan een inburgeraar, niet zijnde geestelijke bedienaar, een taalkennisvoorziening aanbieden. Indien de inburgeraar daarom verzoekt, kan de taalkennisvoorziening worden aangeboden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget.
3. Zowel een inburgeringsvoorziening als een gecombineerde inburgeringsvoorziening bereidt voor op en leidt toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen.
4. Het college of het bestuur draagt er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening, dan wel de gecombineerde inburgeringsvoorziening, uiterlijk 31 december van het tweede kalenderjaar na het jaar waarin de voorziening is vastgesteld, wordt afgesloten door middel van deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen.
5. De inburgeraar is de in artikel 23, tweede lid, van de wetbedoelde eigen bijdrage verschuldigd, tenzij hij op last van het college of bestuur, dan wel een andere instantie, genoemd in artikel 21, tweede lid, van de wet, een gecombineerde inburgeringsvoorziening dient te volgen.
2. In afwijking van het eerste lid kan het college of bestuur aan een inburgeraar, niet zijnde geestelijke bedienaar, een taalkennisvoorziening aanbieden. Indien de inburgeraar daarom verzoekt, kan de taalkennisvoorziening worden aangeboden in de vorm van een persoonlijk inburgeringsbudget.
3. Zowel een inburgeringsvoorziening als een gecombineerde inburgeringsvoorziening bereidt voor op en leidt toe naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen.
4. Het college of het bestuur draagt er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening, dan wel de gecombineerde inburgeringsvoorziening, uiterlijk 31 december van het tweede kalenderjaar na het jaar waarin de voorziening is vastgesteld, wordt afgesloten door middel van deelname aan het inburgeringsexamen of het staatsexamen.
5. De inburgeraar is de in artikel 23, tweede lid, van de wetbedoelde eigen bijdrage verschuldigd, tenzij hij op last van het college of bestuur, dan wel een andere instantie, genoemd in artikel 21, tweede lid, van de wet, een gecombineerde inburgeringsvoorziening dient te volgen.