BWBR0020309
Geldig vanaf 2006-09-27
Artikel 8
Regeling specifieke uitkeringen excessieve opgravingskosten
1. Een specifieke uitkering wordt geweigerd, indien:
a. de kosten van het archeologische onderzoek waarvoor een specifieke uitkering wordt gevraagd, minder bedragen dan het bedrag dat wordt gevormd door het inwonertal van de betreffende gemeente of van de desbetreffende provincie te vermenigvuldigen met 2,5 euro, onderscheidenlijk 0,5 euro;
b. door verlening van de gevraagde specifieke uitkering het subsidieplafond bedoeld in artikel 7, eerste lid, zou worden overschreden;
c. de initiatiefnemer of de initiatiefnemers van het bodemverstorende project naar het oordeel van de minister onvoldoende financieel bijdraagt onderscheidenlijk bijdragen aan de kosten van het archeologische onderzoek;
d. de op te graven monumenten naar het oordeel van de minister uit een oogpunt van cultuurbehoud van onvoldoende cultuurhistorische waarde zijn;
e. bij de voorbereiding van en de besluitvorming over het bodemverstorende project onvoldoende rekening is gehouden met de archeologische waarden of verwachtingen ter plaatse;
f. het archeologische onderzoek niet noodzakelijk is gelet op de mogelijkheden tot planaanpassing;
g. het ingediende projectplan naar het oordeel van de minister niet zal leiden tot het beoogde resultaat;
h. het programma van eisen niet voldoet aan de binnen de beroepsgroep geldende normen;
i. de op te graven monumenten niet fysiek worden bedreigd.
2. Een specifieke uitkering kan op andere gronden dan die, genoemd in het eerste lid, worden geweigerd.
a. de kosten van het archeologische onderzoek waarvoor een specifieke uitkering wordt gevraagd, minder bedragen dan het bedrag dat wordt gevormd door het inwonertal van de betreffende gemeente of van de desbetreffende provincie te vermenigvuldigen met 2,5 euro, onderscheidenlijk 0,5 euro;
b. door verlening van de gevraagde specifieke uitkering het subsidieplafond bedoeld in artikel 7, eerste lid, zou worden overschreden;
c. de initiatiefnemer of de initiatiefnemers van het bodemverstorende project naar het oordeel van de minister onvoldoende financieel bijdraagt onderscheidenlijk bijdragen aan de kosten van het archeologische onderzoek;
d. de op te graven monumenten naar het oordeel van de minister uit een oogpunt van cultuurbehoud van onvoldoende cultuurhistorische waarde zijn;
e. bij de voorbereiding van en de besluitvorming over het bodemverstorende project onvoldoende rekening is gehouden met de archeologische waarden of verwachtingen ter plaatse;
f. het archeologische onderzoek niet noodzakelijk is gelet op de mogelijkheden tot planaanpassing;
g. het ingediende projectplan naar het oordeel van de minister niet zal leiden tot het beoogde resultaat;
h. het programma van eisen niet voldoet aan de binnen de beroepsgroep geldende normen;
i. de op te graven monumenten niet fysiek worden bedreigd.
2. Een specifieke uitkering kan op andere gronden dan die, genoemd in het eerste lid, worden geweigerd.