BWBR0020183
Geldig vanaf 2010-01-01
Artikel 7
Besluit Participatiewet
1. Bij de toepassing van <a href="/wet/BWBR0015703/artikel/69" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 69, eerste lid, van de wet</a>, wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 15 augustus van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
2. Bij de toepassing van <a href="/wet/BWBR0015711/artikel/50" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 50 van het Bbz 2004</a>wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
3. Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014606/artikel/58a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten</a>, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IOAW</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IOAZ</a>en het <a href="/wet/BWBR0015711" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bbz 2004</a>over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt bepaald, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van artikel 3, derde en zevende lid, en artikel 8a, eerste lid, voor de gemeentelijke uitkeringslasten en gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">PW</a>, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume.
4. Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het derde lid vastgesteld.
2. Bij de toepassing van <a href="/wet/BWBR0015711/artikel/50" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 50 van het Bbz 2004</a>wordt uitgegaan van de gegevens waarvan Onze Minister kennis heeft op 30 september van het jaar volgend op het verantwoordingsjaar, met dien verstande dat gegevens die het college op verzoek van Onze Minister op een latere datum verstrekt mede in aanmerking worden genomen.
3. Indien van een gemeente de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0014606/artikel/58a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten</a>, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet, de <a href="/wet/BWBR0004044" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IOAW</a>, de <a href="/wet/BWBR0004163" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">IOAZ</a>en het <a href="/wet/BWBR0015711" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Bbz 2004</a>over het jaar twee jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt bepaald, en de daarbij behorende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet is ontvangen uiterlijk op 15 augustus van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, wordt voor de toepassing van artikel 3, derde en zevende lid, en artikel 8a, eerste lid, voor de gemeentelijke uitkeringslasten en gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de <a href="/wet/BWBR0015703" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">PW</a>, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004 uitgegaan van het jaar drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld met correctie van deze gegevens in verband met de prijsontwikkeling en de ontwikkeling van het bijstandsvolume.
4. Bij ministeriële regeling wordt een correctiefactor bij de toepassing van het derde lid vastgesteld.