1. Het Rijkshuisvestingsberaad is gevestigd te ’s-Gravenhage.
2. Het Rijkshuisvestingsberaad bestaat uit:
a. de voorzitter;
b. één lid dat het Ministerie van Jusititie vertegenwoordigt;
c. één lid dat het Ministerie van Verkeer en Waterstaat vertegenwoordigt;
d. één lid dat het Ministerie van Financiën vertegenwoordigt;
e. twee leden als vertegenwoordigers van de overige afnemers van rijkshuisvesting;
f. één lid als vertegenwoordiger van grote landelijk opererende lichamen op het niveau van de centrale overheid die wat betreft de huisvesting niet ressorteren onder een ministerie;
g. als agendalid één vertegenwoordiger van de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken;
h. de directeur-generaal Rijksbegroting, als lid;
i. de directeur-generaal, als adviserend lid.
3. De voorzitter wordt door de secretarissen-generaal van de ministeries uit hun midden gekozen en door de minister, op voordracht van zijn secretaris-generaal, benoemd voor de duur van vier jaren. Voorzitter kan niet zijn hij die tevens secretaris-generaal is van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
4. De leden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b, c, en d, worden door de minister voor onbepaalde duur benoemd, op voordracht van zijn secretaris-generaal, gehoord de secretaris-generaal van het ministerie dat door het betreffende lid wordt vertegenwoordigd.
5. De leden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen e en f, worden door de minister voor bepaalde duur benoemd, op voordracht van de voorzitter, gehoord de secretarissen-generaal van de ministeries. De voorzitter richt zijn voordracht, die mede omvat een voorstel aangaande de invulling van de duur van de benoemingen, op een zodanige wijze in dat in het Rijkshuisvestingsberaad de belangen van de grote, kleine, centrale en decentrale afnemers van rijkshuisvesting voldoende zijn vertegenwoordigd.
6. Het lid, bedoeld in het tweede lid, onderdeel g, wordt door de minister voor bepaalde duur benoemd, op voordracht van de voorzitter, gehoord de Hoge Colleges van Staat en het Ministerie van Algemene Zaken, en is vrij om al dan niet deel te nemen aan de vergaderingen van het Rijkshuisvestingsberaad.
7. De voorzitter en de leden, met uitzondering van de directeur-generaal, hebben stemrecht.
8. De voorzitter wordt ingeval van zijn ontstentenis vervangen door een van de leden, de directeur-generaal daarvan uitgezonderd.
9. De leden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen b tot en met g, kunnen zich, ingeval van hun ontstentenis, slechts laten vervangen door een van de overige leden, de directeur-generaal daarvan uitgezonderd.
10. De directeur-generaal Rijksbegroting en de directeur-generaal kunnen, ieder voor zich, de voorzitter verzoeken om in hun plaats een door hen aan te wijzen vervanger, niet zijnde een van de overige leden, te doen optreden.
11. Aan de voorzitter en de leden wordt al dan niet op eigen verzoek tussentijds ontslag verleend.