BWBR0020039
Geldig vanaf 2006-08-16
Artikel 3
Besluit vaststelling eenmalige uitkering 2004, enz. (arbeidsvoorwaardenmaatregelen sector Defensie)
1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder belanghebbende:
a. De gewezen militair die een uitkering ontvangt op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen;
b. De gewezen militair, jonger dan 65 jaar, die een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, een militair invaliditeitspensioen als bedoeld in artikel 7 of een bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel 8 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen ontvangt;
c. De nabestaanden, jonger dan 65 jaar, van een militair die een bijzonder nabestaandenpensioen ontvangen op grond van artikel 6 of 7 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen;
d. De gewezen militair of burgerambtenaar die een wachtgelduitkering ontvangt op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 of het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie;
e. De gewezen burgerambtenaar dan wel diens nabestaanden die een uitkering ontvangen op grond van artikel 65 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
f. De gewezen burgerambtenaar die een uitkering ontvangt op grond van artikel 119, vijfde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
2. De belanghebbende heeft aanspraak op vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, die hij verschuldigd is over zijn uitkering of pensioen.
3. De belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft aanspraak op een tegemoetkoming ter grootte van de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswetindien hij, in verband met zijn verblijf in het buitenland, deze inkomensafhankelijke bijdrage niet verschuldigd is.
4. Voor de belanghebbende bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt, bij de vaststelling van de maximaal verschuldigde premie, eerst het ten laste van het VUT-fonds komende deel van de uitkering in aanmerking genomen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen omtrent het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften worden vastgesteld.
a. De gewezen militair die een uitkering ontvangt op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen;
b. De gewezen militair, jonger dan 65 jaar, die een verhoogd arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, een militair invaliditeitspensioen als bedoeld in artikel 7 of een bijzondere invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel 8 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen ontvangt;
c. De nabestaanden, jonger dan 65 jaar, van een militair die een bijzonder nabestaandenpensioen ontvangen op grond van artikel 6 of 7 van het Besluit bijzondere militaire pensioenen;
d. De gewezen militair of burgerambtenaar die een wachtgelduitkering ontvangt op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 of het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie;
e. De gewezen burgerambtenaar dan wel diens nabestaanden die een uitkering ontvangen op grond van artikel 65 van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie;
f. De gewezen burgerambtenaar die een uitkering ontvangt op grond van artikel 119, vijfde lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie.
2. De belanghebbende heeft aanspraak op vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet, die hij verschuldigd is over zijn uitkering of pensioen.
3. De belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft aanspraak op een tegemoetkoming ter grootte van de inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswetindien hij, in verband met zijn verblijf in het buitenland, deze inkomensafhankelijke bijdrage niet verschuldigd is.
4. Voor de belanghebbende bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt, bij de vaststelling van de maximaal verschuldigde premie, eerst het ten laste van het VUT-fonds komende deel van de uitkering in aanmerking genomen.
5. Bij ministeriële regeling kunnen omtrent het bepaalde in dit artikel nadere voorschriften worden vastgesteld.