BWBR0019991
Geldig vanaf 2006-07-13
Artikel 3.1
Beleidsregel doelmatigheid hoger onderwijs
De minister beoordeelt het voornemen van het instellingsbestuur om een in het Centraal register opleidingen hoger onderwijs (Croho) opgenomen opleiding of een gedeelte van een opleiding in één of meer andere gemeenten te vestigen om vast te stellen of het voornemen niet leidt tot een ondoelmatige spreiding van voorzieningen in het hoger onderwijs. Het voornemen dient daarvoor aan de volgende voorwaarden (criteria en vereisten) te voldoen:
a. (criterium) het onderwijs draagt aantoonbaar bij aan de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kennissamenleving, doordat de desbetreffende opleiding tegemoet komt aan een gebleken behoefte aan nieuwe beroepen of aan noodzakelijk geachte nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in innovatieve sectoren;
b. (criterium) het onderwijs draagt aantoonbaar bij aan een door de Rijksoverheid erkende behoefte;
c.1. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarvoor de Rijksoverheid specifiek beleid voert ter versterking van de kennisinfrastructuur;
c.2. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarop bijzondere bestuurlijke afspraken met de minister van toepassing zijn over versterking van de kennisinfrastructuur ter vermindering van door de minister erkende gebiedsspecifieke knelpunten of achterstandssituaties;
c.1. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarvoor de Rijksoverheid specifiek beleid voert ter versterking van de kennisinfrastructuur;
c.2. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarop bijzondere bestuurlijke afspraken met de minister van toepassing zijn over versterking van de kennisinfrastructuur ter vermindering van door de minister erkende gebiedsspecifieke knelpunten of achterstandssituaties;
d. (vereiste) de realisering van het onderwijs mag naar de mening van de minister op langere termijn niet leiden tot substantieel nadelige effecten voor de benutting van de bestaande capaciteit en infrastructuur op het desbetreffende onderwijs- en onderzoeksterrein. Bij onderwijs dat mede aan het criterium c.1 of uitsluitend aan het criterium c.2 voldoet wordt grote betekenis toegekend aan de noodzaak om de kennisinfrastructuur te versterken of om een evidente gebiedsspecifieke achterstandsituatie te verbeteren, waarbij de hantering van het vereiste d op een soepeler wijze zal plaatsvinden. Realisering van het onderwijs mag naar het oordeel van de minister op langere termijn niet leiden tot bovenmatig nadelige effecten voor de benutting van de bestaande capaciteit en infrastructuur op het desbetreffende onderwijsterrein. Bij situaties als bedoeld in het criterium c.1 kan het risico van bovenmatig nadelige effecten beheersbaar blijven indien het programma, naast gebiedsspecifieke omstandigheden, nadrukkelijk ook inspeelt op de nationale beleidsdoelstellingen, genoemd in de criteria a en b. Bij situaties als bedoeld in het criterium c.2 kan het risico van bovenmatig nadelige effecten beheersbaar blijven indien het programma wordt gekenmerkt door een eigen inkleuring die is toegesneden op de specifieke onderwijsbehoefte in het desbetreffende landsdeel, waardoor het onderwijs ten opzichte van het bestaande aanbod als geheel van aanvullende betekenis is;
e. (vereiste) de inbedding van het onderwijs in de (regionale) kennisinfrastructuur moet in voldoende mate verzekerd zijn.
Het voornemen moet minimaal voldoen aan één van de criteria a, b of c.2 en tevens aan de beide vereisten d en e.
Indien het voornemen voldoet aan het criterium c.1 moet het tevens voldoen aan één van de criteria a of b en tevens aan de beide vereisten d en e.
Indien het voornemen samenhangt met situaties die zijn aangegeven in de criteria c.1 of c.2, zal wat betreft het vereiste d een soepeler beoordeling plaatsvinden zoals hiervoor bij het vereiste d is aangegeven.
Indien meerdere voornemens voorliggen voor het realiseren van onderwijsaanbod in de vorm van een nieuwe vestigingsplaats die identiek of soortgelijk zijn, zal bij de beoordeling doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de mate waarin wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in dit artikel.
a. (criterium) het onderwijs draagt aantoonbaar bij aan de verdere ontwikkeling van de Nederlandse kennissamenleving, doordat de desbetreffende opleiding tegemoet komt aan een gebleken behoefte aan nieuwe beroepen of aan noodzakelijk geachte nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in innovatieve sectoren;
b. (criterium) het onderwijs draagt aantoonbaar bij aan een door de Rijksoverheid erkende behoefte;
c.1. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarvoor de Rijksoverheid specifiek beleid voert ter versterking van de kennisinfrastructuur;
c.2. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarop bijzondere bestuurlijke afspraken met de minister van toepassing zijn over versterking van de kennisinfrastructuur ter vermindering van door de minister erkende gebiedsspecifieke knelpunten of achterstandssituaties;
c.1. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarvoor de Rijksoverheid specifiek beleid voert ter versterking van de kennisinfrastructuur;
c.2. (criterium) het onderwijs wordt gevestigd in een landsdeel waarop bijzondere bestuurlijke afspraken met de minister van toepassing zijn over versterking van de kennisinfrastructuur ter vermindering van door de minister erkende gebiedsspecifieke knelpunten of achterstandssituaties;
d. (vereiste) de realisering van het onderwijs mag naar de mening van de minister op langere termijn niet leiden tot substantieel nadelige effecten voor de benutting van de bestaande capaciteit en infrastructuur op het desbetreffende onderwijs- en onderzoeksterrein. Bij onderwijs dat mede aan het criterium c.1 of uitsluitend aan het criterium c.2 voldoet wordt grote betekenis toegekend aan de noodzaak om de kennisinfrastructuur te versterken of om een evidente gebiedsspecifieke achterstandsituatie te verbeteren, waarbij de hantering van het vereiste d op een soepeler wijze zal plaatsvinden. Realisering van het onderwijs mag naar het oordeel van de minister op langere termijn niet leiden tot bovenmatig nadelige effecten voor de benutting van de bestaande capaciteit en infrastructuur op het desbetreffende onderwijsterrein. Bij situaties als bedoeld in het criterium c.1 kan het risico van bovenmatig nadelige effecten beheersbaar blijven indien het programma, naast gebiedsspecifieke omstandigheden, nadrukkelijk ook inspeelt op de nationale beleidsdoelstellingen, genoemd in de criteria a en b. Bij situaties als bedoeld in het criterium c.2 kan het risico van bovenmatig nadelige effecten beheersbaar blijven indien het programma wordt gekenmerkt door een eigen inkleuring die is toegesneden op de specifieke onderwijsbehoefte in het desbetreffende landsdeel, waardoor het onderwijs ten opzichte van het bestaande aanbod als geheel van aanvullende betekenis is;
e. (vereiste) de inbedding van het onderwijs in de (regionale) kennisinfrastructuur moet in voldoende mate verzekerd zijn.
Het voornemen moet minimaal voldoen aan één van de criteria a, b of c.2 en tevens aan de beide vereisten d en e.
Indien het voornemen voldoet aan het criterium c.1 moet het tevens voldoen aan één van de criteria a of b en tevens aan de beide vereisten d en e.
Indien het voornemen samenhangt met situaties die zijn aangegeven in de criteria c.1 of c.2, zal wat betreft het vereiste d een soepeler beoordeling plaatsvinden zoals hiervoor bij het vereiste d is aangegeven.
Indien meerdere voornemens voorliggen voor het realiseren van onderwijsaanbod in de vorm van een nieuwe vestigingsplaats die identiek of soortgelijk zijn, zal bij de beoordeling doorslaggevend gewicht worden toegekend aan de mate waarin wordt voldaan aan de vereisten, bedoeld in dit artikel.