BWBR0019939
Geldig vanaf 2006-06-17
Artikel 6
Regeling Procedure Huisvesting Internationale Organisaties 2006
1. In de verzoeken bedoeld in artikel 4en 5stelt de Minister wie het aangaat zich, door middel van verlening van machtiging aan de dienst tot automatische incasso, jegens de dienst garant voor alle kosten die in het kader van de huisvesting door en de betrokkenheid van de dienst worden gemaakt.
2. Van de automatische incasso terzake van overeenkomsten die de dienst rechtstreeks is aangegaan met de internationale organisatie wordt eerst gebruik gemaakt nadat de internationale organisatie op de gebruikelijke wijze in gebreke is gesteld, de termijn waarbinnen de internationale organisatie in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, ongebruikt is verstreken en de Minister wie het aangaat vóór het tot stand komen van de betreffende overeenkomst daarvan op de hoogte is gesteld.
3. De inzet van rechtsmiddelen door de dienst inzake overeenkomsten die de dienst rechtstreeks met de internationale organisatie is aangegaan geschiedt niet eerder dan nadat daartoe van de Minister wie het aangaat en de Minister van Buitenlandse Zaken schriftelijk toestemming is verkregen. De Minister wie het aangaat vrijwaart de dienst tegen financiële gevolgen van het onthouden van de hiervoor bedoelde toestemming.
2. Van de automatische incasso terzake van overeenkomsten die de dienst rechtstreeks is aangegaan met de internationale organisatie wordt eerst gebruik gemaakt nadat de internationale organisatie op de gebruikelijke wijze in gebreke is gesteld, de termijn waarbinnen de internationale organisatie in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, ongebruikt is verstreken en de Minister wie het aangaat vóór het tot stand komen van de betreffende overeenkomst daarvan op de hoogte is gesteld.
3. De inzet van rechtsmiddelen door de dienst inzake overeenkomsten die de dienst rechtstreeks met de internationale organisatie is aangegaan geschiedt niet eerder dan nadat daartoe van de Minister wie het aangaat en de Minister van Buitenlandse Zaken schriftelijk toestemming is verkregen. De Minister wie het aangaat vrijwaart de dienst tegen financiële gevolgen van het onthouden van de hiervoor bedoelde toestemming.