BWBR0019708
Geldig vanaf 2006-04-14
Artikel 8
Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds
1. Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern, bedoeld in de maatstaf klantenpotentieel lokaal, is het aantal aan een woonkern toegedeelde inwoners.
2. Ter berekening van het klantenpotentieel lokaal wordt het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern toegedeeld aan die woonkern zelf en aan de woonkernen in de lokale omgeving van die woonkern.
3. De woonkernen in de lokale omgeving van een woonkern zijn de woonkernen waarvan de adressenzwaartepunten liggen binnen een afstand van 20 kilometer tot die woonkern.
4. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern bestaat uit het aantal inwoners van de woonkern, vermeerderd met een aandeel van de in de gemeente waarbinnen de woonkern is gelegen, niet in enige woonkern wonende inwoners. Het aandeel is gelijk aan het aandeel van de inwoners van de woonkern in het totaal aantal in een woonkern binnen de gemeente wonende inwoners.
5. De toedeling aan de woonkernen geschiedt evenredig aan het gecorrigeerde aantal inwoners van die woonkernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die woonkernen. Daarbij wordt de afstand van de woonkern tot zichzelf op 1 kilometer vastgesteld.
6. De in het tweede lid bedoelde afstand tussen twee kernen is de hemelsbreed gemeten afstand tussen de adressenzwaartepunten van die kernen in kilometers.
7. De coördinaten van een adressenzwaartepunt worden bepaald door het gewogen gemiddelde te bepalen van de coördinaten van de middelpunten van de rastervierkanten die de kern vormen. De weging geschiedt op basis van het aantal adressen per rastervierkant.
2. Ter berekening van het klantenpotentieel lokaal wordt het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern toegedeeld aan die woonkern zelf en aan de woonkernen in de lokale omgeving van die woonkern.
3. De woonkernen in de lokale omgeving van een woonkern zijn de woonkernen waarvan de adressenzwaartepunten liggen binnen een afstand van 20 kilometer tot die woonkern.
4. Het gecorrigeerde aantal inwoners van een woonkern bestaat uit het aantal inwoners van de woonkern, vermeerderd met een aandeel van de in de gemeente waarbinnen de woonkern is gelegen, niet in enige woonkern wonende inwoners. Het aandeel is gelijk aan het aandeel van de inwoners van de woonkern in het totaal aantal in een woonkern binnen de gemeente wonende inwoners.
5. De toedeling aan de woonkernen geschiedt evenredig aan het gecorrigeerde aantal inwoners van die woonkernen en omgekeerd evenredig aan het kwadraat van de afstand tot die woonkernen. Daarbij wordt de afstand van de woonkern tot zichzelf op 1 kilometer vastgesteld.
6. De in het tweede lid bedoelde afstand tussen twee kernen is de hemelsbreed gemeten afstand tussen de adressenzwaartepunten van die kernen in kilometers.
7. De coördinaten van een adressenzwaartepunt worden bepaald door het gewogen gemiddelde te bepalen van de coördinaten van de middelpunten van de rastervierkanten die de kern vormen. De weging geschiedt op basis van het aantal adressen per rastervierkant.