BWBR0019708
Geldig vanaf 2006-04-14
Artikel 10
Regeling meet- en rekenregels verdeelmaatstaven provinciefonds en gemeentefonds
1. Het aantal leerlingen bedoeld in de leerlingmaatstaf betreft de leerlingen die de volgende typen onderwijs volgen:
a. onderwijs bedoeld onder 1: onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
b. onderwijs bedoeld onder 2: 1°. praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
2°. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;
1°. praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
2°. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;
c. onderwijs bedoeld onder 3: voortgezet onderwijs voor zover het onderwijs betreft als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met c, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2. Correctie vindt plaats door het aantal leerlingen dat het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, volgt, te vermenigvuldigen met:
a. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onder 1°: 1,98;
b. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°: 3,46; met dien verstande dat indien is bepaald dat het onderwijs wordt gegeven aan groepen van 2, 3 of 6 leerlingen het aantal leerlingen daarenboven wordt vermenigvuldigd met respectievelijk 4,30, 2,86, of 1,43;
c. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c: 0,80.
a. onderwijs bedoeld onder 1: onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
b. onderwijs bedoeld onder 2: 1°. praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
2°. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;
1°. praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs, of
2°. speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra;
c. onderwijs bedoeld onder 3: voortgezet onderwijs voor zover het onderwijs betreft als bedoeld in artikel 5, onder a tot en met c, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
2. Correctie vindt plaats door het aantal leerlingen dat het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, volgt, te vermenigvuldigen met:
a. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, onder 1°: 1,98;
b. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°: 3,46; met dien verstande dat indien is bepaald dat het onderwijs wordt gegeven aan groepen van 2, 3 of 6 leerlingen het aantal leerlingen daarenboven wordt vermenigvuldigd met respectievelijk 4,30, 2,86, of 1,43;
c. in geval van het onderwijs, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c: 0,80.