BWBR0019643
Geldig vanaf 2007-01-06
Artikel 5
Subsidieregeling ‘Digitaliseren met beleid’
1. Er is een Adviescommissie ‘Digitaliseren met beleid’, die tot taak heeft de minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie voor ontwikkelingsprojecten op grond van deze regeling.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 3 en ten hoogste 6 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 3 jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
6. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
7. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
8. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. De archiefbescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie, of zoveel eerder als naar omstandigheden wenselijk is, overgebracht naar het archief van de Directie cultureel erfgoed van dat ministerie.
9. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
10. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de minister, maar ten minste elke 5 jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.
2. De adviezen van de commissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.
3. De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste 3 en ten hoogste 6 andere leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de commissie een taak heeft en zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
4. De voorzitter en de leden worden door de minister voor een termijn van ten hoogste 3 jaar benoemd. Zij zijn te allen tijde opnieuw benoembaar.
5. De commissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.
6. De minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de commissie bij te wonen.
7. In het secretariaat van de commissie wordt door de minister voorzien.
8. Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. De archiefbescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie, of zoveel eerder als naar omstandigheden wenselijk is, overgebracht naar het archief van de Directie cultureel erfgoed van dat ministerie.
9. De commissie verstrekt desgevraagd aan de minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. De minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
10. De commissie stelt jaarlijks voor 1 april een verslag op van haar werkzaamheden in het afgelopen kalenderjaar. Op verzoek van de minister, maar ten minste elke 5 jaar, stelt de commissie tevens een evaluatieverslag op, waarin zij aandacht besteedt aan de doelmatigheid en doeltreffendheid van haar taakvervulling. Het jaarverslag en het evaluatieverslag worden aan de minister toegezonden en algemeen verkrijgbaar gesteld.