BWBR0019643
Geldig vanaf 2007-01-06
Artikel 4
Subsidieregeling ‘Digitaliseren met beleid’
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten, met dien verstande dat bij personeel van een culturele instelling wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het brutojaarloon bij een volledige dienstbetrekking. Dit brutojaarloon wordt verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigde opslag voor sociale lasten (werkgeverslasten voor sociale verzekering, VUT en pensioen). Bij de berekening van het uurloon wordt uitgegaan van een norm van 1600 arbeidsuren (zijnde de algemene voltijdsarbeidsduur van een persoon benoemd in een normbetrekking);
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten, voorzover deze niet meer bedragen dan 80% van de subsidiabele projectkosten;
5°. kosten ten behoeve van verrichte werkzaamheden door vrijwilligers als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met een maximum van € 4,50 per uur;
1°. loonkosten, met dien verstande dat bij personeel van een culturele instelling wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het brutojaarloon bij een volledige dienstbetrekking. Dit brutojaarloon wordt verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigde opslag voor sociale lasten (werkgeverslasten voor sociale verzekering, VUT en pensioen). Bij de berekening van het uurloon wordt uitgegaan van een norm van 1600 arbeidsuren (zijnde de algemene voltijdsarbeidsduur van een persoon benoemd in een normbetrekking);
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten, voorzover deze niet meer bedragen dan 80% van de subsidiabele projectkosten;
5°. kosten ten behoeve van verrichte werkzaamheden door vrijwilligers als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met een maximum van € 4,50 per uur;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 25% van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten, met dien verstande dat bij personeel van een culturele instelling wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het brutojaarloon bij een volledige dienstbetrekking. Dit brutojaarloon wordt verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigde opslag voor sociale lasten (werkgeverslasten voor sociale verzekering, VUT en pensioen). Bij de berekening van het uurloon wordt uitgegaan van een norm van 1600 arbeidsuren (zijnde de algemene voltijdsarbeidsduur van een persoon benoemd in een normbetrekking);
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten, voorzover deze niet meer bedragen dan 80% van de subsidiabele projectkosten;
5°. kosten ten behoeve van verrichte werkzaamheden door vrijwilligers als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met een maximum van € 4,50 per uur;
1°. loonkosten, met dien verstande dat bij personeel van een culturele instelling wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het brutojaarloon bij een volledige dienstbetrekking. Dit brutojaarloon wordt verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een arbeidsovereenkomst verschuldigde opslag voor sociale lasten (werkgeverslasten voor sociale verzekering, VUT en pensioen). Bij de berekening van het uurloon wordt uitgegaan van een norm van 1600 arbeidsuren (zijnde de algemene voltijdsarbeidsduur van een persoon benoemd in een normbetrekking);
2°. kosten van aangeschafte machines en apparatuur, met dien verstande dat wordt uitgegaan van de aan het project toe te rekenen afschrijvingskosten, berekend op basis van de historische aanschafprijzen en de door de belastingdienst geaccepteerde afschrijvingstermijnen, met uitzondering van mogelijkheden tot vervroegde afschrijving, of leasetermijnen, met uitzondering van financieringskosten, en gebaseerd op de bedrijfseconomische levensduur;
3°. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
4°. andere aan derden verschuldigde kosten, met uitzondering van binnenlandse reis- en verblijfkosten, voorzover deze niet meer bedragen dan 80% van de subsidiabele projectkosten;
5°. kosten ten behoeve van verrichte werkzaamheden door vrijwilligers als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, met een maximum van € 4,50 per uur;
b. een opslag voor algemene kosten, groot 25% van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.