BWBR0019599
Geldig vanaf 2006-02-26
Artikel 8
Openstellingsbesluit RIGO 2006
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beoordeelt de projectvoorstellen en de aanvragen tot subsidieverlening naast de criteria omschreven in artikel 7a, eerste lid, van de regelingonderscheidenlijk artikel 9, eerste lid, van de regeling, tevens aan de hand van de volgende criteria:
a. voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a: de meerwaarde voor het kennissysteem van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1°. de mate waarin het project bijdraagt aan kenniscirculatie;
2°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3°. de betrokkenheid van relevante expertise.
1°. de mate waarin het project bijdraagt aan kenniscirculatie;
2°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3°. de betrokkenheid van relevante expertise.
b. voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b: de meerwaarde voor het groene onderwijs als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1°. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2°. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
3°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project.
1°. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2°. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
3°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project.
a. voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel a: de meerwaarde voor het kennissysteem van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1°. de mate waarin het project bijdraagt aan kenniscirculatie;
2°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3°. de betrokkenheid van relevante expertise.
1°. de mate waarin het project bijdraagt aan kenniscirculatie;
2°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project;
3°. de betrokkenheid van relevante expertise.
b. voor wat betreft de categorie, genoemd in artikel 3, onderdeel b: de meerwaarde voor het groene onderwijs als geheel, in het bijzonder blijkend uit: 1°. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2°. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
3°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project.
1°. de mate waarin het project bijdraagt aan de ontwikkeling of implementatie van competentiegericht leren, waar mogelijk ondersteund door informatie- en communicatietechnologie;
2°. de mate waarin het project bijdraagt aan doorlopende leerlijnen of leerarrangementen;
3°. de mate waarin de doelgroepen een bijdrage leveren aan de uitvoering van het project.