BWBR0019536
Geldig vanaf 2006-02-17
Artikel 9
Regeling sociaal-ethische projecten 2005
1. De ministers kunnen de verklaring intrekken indien:
a. blijkt dat de uitvoering of toestand van het project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven;
b. de projectbeheerder de voorwaarden van artikel 5 niet nakomt;
c. de instelling, bedoeld in artikel 4, de voorwaarden van artikel 2, derde lid, of artikel 6 niet nakomt;
d. de projectbeheerder een ander is dan de projectbeheerder die in de aanvraag van een verklaring is gemeld tenzij de nieuwe projectbeheerder verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 5;
e. de kapitaalverschaffer een ander is dan degene die de aanvraag heeft ingediend tenzij de kapitaalverschaffer schriftelijk verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 6.
2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3. De verklaring wordt met terugwerkende kracht ingetrokken indien de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest.
4. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.
5. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur Belastingdienst Amsterdam.
a. blijkt dat de uitvoering of toestand van het project in aanzienlijke mate afwijkt van het project op grond waarvan de verklaring is afgegeven;
b. de projectbeheerder de voorwaarden van artikel 5 niet nakomt;
c. de instelling, bedoeld in artikel 4, de voorwaarden van artikel 2, derde lid, of artikel 6 niet nakomt;
d. de projectbeheerder een ander is dan de projectbeheerder die in de aanvraag van een verklaring is gemeld tenzij de nieuwe projectbeheerder verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 5;
e. de kapitaalverschaffer een ander is dan degene die de aanvraag heeft ingediend tenzij de kapitaalverschaffer schriftelijk verklaart te handelen overeenkomstig de bepalingen in artikel 6.
2. Het besluit tot intrekking kan terugwerkende kracht hebben.
3. De verklaring wordt met terugwerkende kracht ingetrokken indien de ter zake verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen, als bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest.
4. Het besluit tot intrekking wordt gezonden aan de aanvrager die ingevolge artikel 4, eerste lid, een aanvraag heeft ingediend.
5. Een afschrift van het besluit wordt gezonden aan de projectbeheerder en aan de inspecteur Belastingdienst Amsterdam.