BWBR0019536
Geldig vanaf 2006-02-17
Artikel 2
Regeling sociaal-ethische projecten 2005
1. Een verklaring wordt slechts afgegeven voor projecten die naar het oordeel van de ministers:
a. in hoge mate in het belang zijn van: – de voedselzekerheid en voedselverbetering in een ontwikkelingsland;
– de sociale en culturele ontwikkeling in een ontwikkelingsland of
– de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland;
– de voedselzekerheid en voedselverbetering in een ontwikkelingsland;
– de sociale en culturele ontwikkeling in een ontwikkelingsland of
– de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland;
b. geen negatieve effecten hebben op het milieu, waaronder begrepen grondstofgebruik en natuur, in de desbetreffende regio of elders;
c. geen negatieve effecten hebben op de sociale omstandigheden, waaronder begrepen de positie van vrouwen en de armoede situatie, in de desbetreffende regio of elders;
d. met participatie van de lokale bevolking tot stand komen en de sociaal-economische situatie van de armen verbeteren;
e. worden uitgevoerd en instandgehouden met behulp van voldoende lokale kennis of op korte termijn beschikken over voldoende lokale kennis;
f. lokaal een demonstratiekarakter hebben en aldaar navolging kunnen vinden;
g. tot stand komen in een omgeving waarin bestaande formele financieringskanalen geen of nauwelijks toegang tot kredietverlening bieden; en
h. in overeenstemming zijn met het Nederlandse buitenlandse en ontwikkelingsbeleid.
2. Onverminderd het eerste lid kan voorts een verklaring worden afgegeven voor projecten in ontwikkelingslanden op het gebied van:
a. krediet ten behoeve van voornamelijk de ontwikkeling van de leningenportefeuille van financiële instellingen in ontwikkelingslanden met als eindbegunstigden micro- en kleinbedrijven in ontwikkelingslanden. Het betreft de specifieke dienstverlening aan het micro- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden waarbij de door de financiële instelling verstrekte financiering aan de eindbegunstigde niet groter is dan € 24.957 per eindbegunstigde;
b. krediet ten behoeve van projecten door coöperaties in ontwikkelingslanden. Dit betreft coöperaties in ontwikkelingslanden waarbij de kapitaalinbreng per lid maximaal € 24.957 betreft. Het eigen vermogen of risico dragend vermogen is geheel door de leden bijeen gebracht. De coöperatie staat geregistreerd bij de Kamer van Koophandel/Register voor Coöperaties in het land waar de coöperatie actief is;
c. krediet ten behoeve van projecten die zijn gericht op het produceren of verwerken van landbouwproducten in ontwikkelingslanden die als biologisch zijn gecertificeerd op basis van EU bepalingen;
d. krediet ten behoeve van projecten door lokale productenten in ontwikkelingslanden die zijn gericht op het produceren of verwerken van door FairTrade Labelling Organisations International gecertificeerde producten.
3. Aan een verklaring kunnen voorwaarden worden verbonden.
a. in hoge mate in het belang zijn van: – de voedselzekerheid en voedselverbetering in een ontwikkelingsland;
– de sociale en culturele ontwikkeling in een ontwikkelingsland of
– de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland;
– de voedselzekerheid en voedselverbetering in een ontwikkelingsland;
– de sociale en culturele ontwikkeling in een ontwikkelingsland of
– de economische ontwikkeling, werkgelegenheid en regionale ontwikkeling in een ontwikkelingsland;
b. geen negatieve effecten hebben op het milieu, waaronder begrepen grondstofgebruik en natuur, in de desbetreffende regio of elders;
c. geen negatieve effecten hebben op de sociale omstandigheden, waaronder begrepen de positie van vrouwen en de armoede situatie, in de desbetreffende regio of elders;
d. met participatie van de lokale bevolking tot stand komen en de sociaal-economische situatie van de armen verbeteren;
e. worden uitgevoerd en instandgehouden met behulp van voldoende lokale kennis of op korte termijn beschikken over voldoende lokale kennis;
f. lokaal een demonstratiekarakter hebben en aldaar navolging kunnen vinden;
g. tot stand komen in een omgeving waarin bestaande formele financieringskanalen geen of nauwelijks toegang tot kredietverlening bieden; en
h. in overeenstemming zijn met het Nederlandse buitenlandse en ontwikkelingsbeleid.
2. Onverminderd het eerste lid kan voorts een verklaring worden afgegeven voor projecten in ontwikkelingslanden op het gebied van:
a. krediet ten behoeve van voornamelijk de ontwikkeling van de leningenportefeuille van financiële instellingen in ontwikkelingslanden met als eindbegunstigden micro- en kleinbedrijven in ontwikkelingslanden. Het betreft de specifieke dienstverlening aan het micro- en kleinbedrijf in ontwikkelingslanden waarbij de door de financiële instelling verstrekte financiering aan de eindbegunstigde niet groter is dan € 24.957 per eindbegunstigde;
b. krediet ten behoeve van projecten door coöperaties in ontwikkelingslanden. Dit betreft coöperaties in ontwikkelingslanden waarbij de kapitaalinbreng per lid maximaal € 24.957 betreft. Het eigen vermogen of risico dragend vermogen is geheel door de leden bijeen gebracht. De coöperatie staat geregistreerd bij de Kamer van Koophandel/Register voor Coöperaties in het land waar de coöperatie actief is;
c. krediet ten behoeve van projecten die zijn gericht op het produceren of verwerken van landbouwproducten in ontwikkelingslanden die als biologisch zijn gecertificeerd op basis van EU bepalingen;
d. krediet ten behoeve van projecten door lokale productenten in ontwikkelingslanden die zijn gericht op het produceren of verwerken van door FairTrade Labelling Organisations International gecertificeerde producten.
3. Aan een verklaring kunnen voorwaarden worden verbonden.