BWBR0019223
Geldig vanaf 2005-12-11
Artikel 10
Subsidieregeling KANS
1. Op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie wordt gelijktijdig beslist.
2. Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, vindt selectie plaats aan de hand van de onderstaande overwegingen:
a. aanvragers die in de periode van het eerste Kans-programma (1998–2001) geen projectsubsidie hebben ontvangen, genieten voorrang.
b. doelstellingen die direct van invloed zijn op het onderwijs aan of de begeleiding van leerlingen, genieten prioriteit, evenals doelstellingen die aansluiten op door de overheid voorgestane veranderingen.
c. bij een partnerschap met de Nederlandse Antillen, hebben instellingen met een substantieel aantal Antilliaanse leerlingen voorrang boven andere instellingen, omdat deze leerlingen een stimulans kunnen vormen voor de onderwijskundige samenwerking binnen het Koninkrijk.
3. Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, vindt na toepassing van de overwegingen, genoemd in het tweede lid, verdere selectie plaats aan de hand van de onderstaande wegingsfactoren:
a. De mate van concreetheid, haalbaarheid en meetbaarheid van de geformuleerde doelstellingen, in relatie tot de doelstelling van het programma KANS, bedoeld in artikel 2.
b. De mate waarin de samenwerking met de partnerinstelling(en) deel uitmaakt van een bewust instellingsbeleid en een herkenbare plaats inneemt binnen het jaarprogramma van de instelling en in hoeverre de samenwerking met de partnerinstellingen is gericht op concrete onderwijskundige doelen.
c. De mate waarin een in principe vaste samenwerking met één of meer partnerinstellingen is beoogd.
2. Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, vindt selectie plaats aan de hand van de onderstaande overwegingen:
a. aanvragers die in de periode van het eerste Kans-programma (1998–2001) geen projectsubsidie hebben ontvangen, genieten voorrang.
b. doelstellingen die direct van invloed zijn op het onderwijs aan of de begeleiding van leerlingen, genieten prioriteit, evenals doelstellingen die aansluiten op door de overheid voorgestane veranderingen.
c. bij een partnerschap met de Nederlandse Antillen, hebben instellingen met een substantieel aantal Antilliaanse leerlingen voorrang boven andere instellingen, omdat deze leerlingen een stimulans kunnen vormen voor de onderwijskundige samenwerking binnen het Koninkrijk.
3. Bij onvoldoende middelen voor alle aanvragen die geschikt zijn om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie, vindt na toepassing van de overwegingen, genoemd in het tweede lid, verdere selectie plaats aan de hand van de onderstaande wegingsfactoren:
a. De mate van concreetheid, haalbaarheid en meetbaarheid van de geformuleerde doelstellingen, in relatie tot de doelstelling van het programma KANS, bedoeld in artikel 2.
b. De mate waarin de samenwerking met de partnerinstelling(en) deel uitmaakt van een bewust instellingsbeleid en een herkenbare plaats inneemt binnen het jaarprogramma van de instelling en in hoeverre de samenwerking met de partnerinstellingen is gericht op concrete onderwijskundige doelen.
c. De mate waarin een in principe vaste samenwerking met één of meer partnerinstellingen is beoogd.