BWBR0019103
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 7
Besluit borgstelling scheepsnieuwbouw
Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit;
b. de Staat ten behoeve van de scheepswerf reeds een garantie, borgstelling, verzekering of herverzekering voor de financiering van de bouw van het schip heeft afgegeven;
c. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip;
e. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft;
f. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden;
g. de bank onvoldoende de naar normaal bankgebruik maximaal mogelijke zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf;
h. de bank op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat borg staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt;
i. door de verlening van de borgstelling het totaal van de op grond van dit besluit verleende borgstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het bij of krachtens artikel 4 vastgestelde bedrag;
j. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt;
k. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren;
l. uit het contract, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, niet blijkt dat de opdrachtgever, terzake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van tenminste 5 procent van de contractprijs;
m. uit het contract, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, terzake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot tenminste 20 procent van de contractprijs tot aflevering van het schip;
n. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
a. de aanvraag niet voldoet aan dit besluit;
b. de Staat ten behoeve van de scheepswerf reeds een garantie, borgstelling, verzekering of herverzekering voor de financiering van de bouw van het schip heeft afgegeven;
c. de contractprijs minder dan € 3.000.000 of meer dan € 100.000.000 bedraagt;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van de bouw van het schip;
e. het kredietbedrag meer dan 80 procent van de contractprijs betreft;
f. de kredietovereenkomst ten aanzien van het kredietbedrag een looptijd heeft van meer dan 36 maanden;
g. de bank onvoldoende de naar normaal bankgebruik maximaal mogelijke zekerheden heeft gevestigd of zal vestigen bij de verstrekking van het kredietbedrag aan de scheepswerf;
h. de bank op het moment van het verstrekken van het kredietbedrag waarvoor de Staat borg staat een lopende financieringsfaciliteit verlaagt;
i. door de verlening van de borgstelling het totaal van de op grond van dit besluit verleende borgstellingen ten behoeve van de scheepswerf of van de groep, waartoe deze scheepswerf behoort, meer zou bedragen dan 30 procent van het bij of krachtens artikel 4 vastgestelde bedrag;
j. gegronde vrees bestaat dat de scheepswerf zich in financiële moeilijkheden bevindt;
k. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de scheepswerf de capaciteiten heeft om de bouw van het schip naar behoren uit te voeren;
l. uit het contract, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, niet blijkt dat de opdrachtgever, terzake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, voorafgaand aan een uitbetaling van krediet op grond van de kredietovereenkomst, een of meer aanbetalingen doet ter hoogte van tenminste 5 procent van de contractprijs;
m. uit het contract, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, niet blijkt dat de aanbetaling door de opdrachtgever, terzake van de opdracht waarvoor de scheepswerf een kredietovereenkomst heeft afgesloten, oploopt tot tenminste 20 procent van de contractprijs tot aflevering van het schip;
n. van de bouw van het schip onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.