BWBR0019103
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 10
Besluit borgstelling scheepsnieuwbouw
1. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling een model voor de overeenkomst van borgtocht vast.
2. De overeenkomst van borgtocht bevat in ieder geval:
a. de bepaling dat uitsluitend tot borgstelling zal worden overgegaan, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen;
b. de eisen waaraan de kredietovereenkomst, waarvan de te sluiten overeenkomst van borgtocht afhankelijk is, moet voldoen;
c. de wijze waarop de omvang van de borgstelling wordt bepaald;
d. de voorwaarden waaronder de borgstelling kan worden ingeroepen;
e. bepalingen met betrekking tot betalingen door de Staat aan de bank;
f. een bepaling inzake de duur en beëindiging van de overeenkomst tot borgtocht;
g. een bepaling, dat de bank uiterlijk tien weken na de beschikking tot het verlenen van een borgstelling, behoudens voorafgaande schriftelijke verlenging door Onze Minister, aantoont dat de opdrachtgever en de scheepswerf terzake van de opdracht een contract hebben zonder opschortende voorwaarden en dat de opdrachtgever terzake van de opdracht een of meer betalingen heeft gedaan;
h. de wijze van vaststelling van de subsidie.
3. De overeenkomst van borgtocht bevat voor de kredietinstelling verplichtingen ter zake van:
a. de betaling van een provisie met inachtneming van een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief als bedoeld in artikel 11;
b. het verschaffen van inlichtingen omtrent het beheer van de kredieten;
c. de terugvordering van de kredieten en de uitwinning van zekerheden;
d. aanvragen tot betaling;
e. melding aan Onze Minister van een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot faillietverklaring van de bank, de scheepswerf of de opdrachtgever.
2. De overeenkomst van borgtocht bevat in ieder geval:
a. de bepaling dat uitsluitend tot borgstelling zal worden overgegaan, indien wordt voldaan aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen;
b. de eisen waaraan de kredietovereenkomst, waarvan de te sluiten overeenkomst van borgtocht afhankelijk is, moet voldoen;
c. de wijze waarop de omvang van de borgstelling wordt bepaald;
d. de voorwaarden waaronder de borgstelling kan worden ingeroepen;
e. bepalingen met betrekking tot betalingen door de Staat aan de bank;
f. een bepaling inzake de duur en beëindiging van de overeenkomst tot borgtocht;
g. een bepaling, dat de bank uiterlijk tien weken na de beschikking tot het verlenen van een borgstelling, behoudens voorafgaande schriftelijke verlenging door Onze Minister, aantoont dat de opdrachtgever en de scheepswerf terzake van de opdracht een contract hebben zonder opschortende voorwaarden en dat de opdrachtgever terzake van de opdracht een of meer betalingen heeft gedaan;
h. de wijze van vaststelling van de subsidie.
3. De overeenkomst van borgtocht bevat voor de kredietinstelling verplichtingen ter zake van:
a. de betaling van een provisie met inachtneming van een bij ministeriële regeling vast te stellen tarief als bedoeld in artikel 11;
b. het verschaffen van inlichtingen omtrent het beheer van de kredieten;
c. de terugvordering van de kredieten en de uitwinning van zekerheden;
d. aanvragen tot betaling;
e. melding aan Onze Minister van een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot faillietverklaring van de bank, de scheepswerf of de opdrachtgever.