BWBR0018968
Geldig vanaf 2005-12-01
Artikel 6
Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoersbedrijven 2005
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan bevoegd zijn bij de opsporing van de strafbare feiten waarvoor hij is beëdigd, gebruik te maken van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993, indien de noodzaak daartoe uitdrukkelijk is vastgesteld door de Minister van Justitie. De buitengewoon opsporingsambtenaar gedraagt zich overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
b. een korte wapenstok van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type,
indien en voor zover de noodzaak tot het dragen van geweldsmiddelen daartoe uitdrukkelijk is vastgesteld door de Minister van Justitie.
3. De werkgever zendt meldingen van het gebruik van geweld door de buitengewoon opsporingsambtenaar toe aan de direct toezichthouder en de toezichthouder.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar kan gedurende de uitoefening van zijn taak als buitengewoon opsporingsambtenaar uitgerust zijn met:
a. handboeien van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type;
b. een korte wapenstok van een door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurd merk en type,
indien en voor zover de noodzaak tot het dragen van geweldsmiddelen daartoe uitdrukkelijk is vastgesteld door de Minister van Justitie.
3. De werkgever zendt meldingen van het gebruik van geweld door de buitengewoon opsporingsambtenaar toe aan de direct toezichthouder en de toezichthouder.