BWBR0018625
Geldig vanaf 2005-08-19
Artikel 10
Besluit sanitair afval zeeschepen
1. Het is verboden:
a. sanitair afval in zee te lozen, of
b. in het Antarctisch gebied sanitair afval te lozen binnen 12 zeemijlen van het land of van ijsplaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. het lozen door middel van een behandelingsinstallatie voor sanitair afval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, waarvan de testresultaten zijn opgenomen in het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval en de geloosde vloeistof geen zichtbare drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het water ten gevolge heeft;
b. het lozen van versneden en ontsmet sanitair afval door middel van een goedgekeurd systeem als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, op een afstand van meer dan 3 zeemijlen of niet-versneden en niet-ontsmet sanitair afval op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
c. het lozen vanaf een schip dat zich in wateren binnen de jurisdictie van een andere staat bevindt en plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften van die staat welke minder streng zijn dan de voorschriften, opgenomen in dit besluit.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op het lozen door middel van een behandelingsinstallatie voor sanitair afval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, waarvan de testresultaten zijn opgenomen in het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval en de geloosde vloeistof geen zichtbare drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het water ten gevolge heeft.
4. Het lozen van sanitair afval als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vanuit een verzameltank, geschiedt in een matig tempo waarbij het schip de vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste vier knopen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tempo.
5. Het lozen van sanitair afval vanuit een verzameltank in het Antarctisch gebied op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het land of van ijsplaten geschiedt in een matig tempo waarbij het schip, voor zover mogelijk, de vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste vier knopen.
6. Indien het sanitair afval is vermengd met afval of afvalwater waarvoor op grond van artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenandere voorschriften voor het lozen van toepassing zijn, dient tevens te worden voldaan aan die voorschriften.
a. sanitair afval in zee te lozen, of
b. in het Antarctisch gebied sanitair afval te lozen binnen 12 zeemijlen van het land of van ijsplaten.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op:
a. het lozen door middel van een behandelingsinstallatie voor sanitair afval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, waarvan de testresultaten zijn opgenomen in het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval en de geloosde vloeistof geen zichtbare drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het water ten gevolge heeft;
b. het lozen van versneden en ontsmet sanitair afval door middel van een goedgekeurd systeem als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, op een afstand van meer dan 3 zeemijlen of niet-versneden en niet-ontsmet sanitair afval op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
c. het lozen vanaf een schip dat zich in wateren binnen de jurisdictie van een andere staat bevindt en plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften van die staat welke minder streng zijn dan de voorschriften, opgenomen in dit besluit.
3. Het eerste lid, aanhef en onderdeel b, is niet van toepassing op het lozen door middel van een behandelingsinstallatie voor sanitair afval als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, waarvan de testresultaten zijn opgenomen in het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval en de geloosde vloeistof geen zichtbare drijvende vaste deeltjes of verkleuring van het water ten gevolge heeft.
4. Het lozen van sanitair afval als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, vanuit een verzameltank, geschiedt in een matig tempo waarbij het schip de vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste vier knopen. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tempo.
5. Het lozen van sanitair afval vanuit een verzameltank in het Antarctisch gebied op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het land of van ijsplaten geschiedt in een matig tempo waarbij het schip, voor zover mogelijk, de vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste vier knopen.
6. Indien het sanitair afval is vermengd met afval of afvalwater waarvoor op grond van artikel 5 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepenandere voorschriften voor het lozen van toepassing zijn, dient tevens te worden voldaan aan die voorschriften.