BWBR0018609
Geldig vanaf 2005-09-14
Artikel VIII
Wijzigingswet Wet op het primair onderwijs, enz. (invoering lumpsumbekostiging in het primair onderwijs)
1. Gedurende vier schooljaren vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet wordt voor alle scholen, niet zijnde instellingen, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003420" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op het primair onderwijs</a>en de <a href="/wet/BWBR0003549" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de expertisecentra</a>die in het schooljaar 2004–2005 voor bekostiging in aanmerking kwamen, de voor de school geldende bekostiging voor personeelskosten op basis van de telgegevens van 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, dan wel, indien het betreft een school als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0003549" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet op de expertisecentra</a>, 16 januari van het voorafgaande schooljaar indien op grond van die datum de bekostiging is aangepast in verband met een toename van het aantal leerlingen, en in voorkomend geval verhoogd met de bekostigingsbedragen op grond van <a href="/wet/BWBR0003420/artikel/120" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 120, derde en vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs</a>dan wel <a href="/wet/BWBR0003549/artikel/117" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 117, derde, vijfde en zevende lid, van de Wet op de expertisecentra</a>gecorrigeerd.
2. De correctie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks te vermenigvuldigen met het voor de school geldende percentage, berekend op grond van het derde en vierde lid, en de uitkomst
a. indien het een positief bedrag is, op te tellen bij de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid en
b. indien het een negatief bedrag is, af te trekken van de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
3. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt jaarlijks per school vastgesteld door voor alle scholen bedoeld in het eerste lid die op 1 januari voorafgaand aan het schooljaar onder hetzelfde bevoegd gezag vallen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, van deze scholen te verminderen met de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VII, van deze scholen en de uitkomst daarvan te delen door de som van de fictieve lumpsum van deze scholen. Voor de toepassing van de eerste volzin geldt in geval van een school die door samenvoeging tot stand is gekomen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, en de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VIIvan alle bij de samenvoeging betrokken scholen. De uitkomst van de berekening bedoeld in de eerste volzin wordt rekenkundig afgerond op vier cijfers achter de komma.
4. Het percentage berekend op grond van het derde lid, wordt vervolgens
a. indien het een positief getal is, jaarlijks verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet lager kan zijn dan nul; en
b. indien het een negatief getal is, jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet hoger kan zijn dan nul.
5. Bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften ter uitvoering van dit artikel worden gegeven, waaronder in ieder geval wordt begrepen de wijze waarop terugvordering van op grond van dit artikel betaalde vergoedingen plaatsvindt, indien op basis van de definitieve vaststelling van de personele vergoeding van de scholen over de kalenderjaren vallend in het meetjaar, blijkt dat te veel vergoeding is genoten.
2. De correctie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, jaarlijks te vermenigvuldigen met het voor de school geldende percentage, berekend op grond van het derde en vierde lid, en de uitkomst
a. indien het een positief bedrag is, op te tellen bij de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid en
b. indien het een negatief bedrag is, af te trekken van de voor de school geldende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.
3. Het percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt jaarlijks per school vastgesteld door voor alle scholen bedoeld in het eerste lid die op 1 januari voorafgaand aan het schooljaar onder hetzelfde bevoegd gezag vallen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, van deze scholen te verminderen met de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VII, van deze scholen en de uitkomst daarvan te delen door de som van de fictieve lumpsum van deze scholen. Voor de toepassing van de eerste volzin geldt in geval van een school die door samenvoeging tot stand is gekomen de som van de genormeerde declaraties, bedoeld in artikel VII, en de som van de fictieve lumpsum, bedoeld in artikel VIIvan alle bij de samenvoeging betrokken scholen. De uitkomst van de berekening bedoeld in de eerste volzin wordt rekenkundig afgerond op vier cijfers achter de komma.
4. Het percentage berekend op grond van het derde lid, wordt vervolgens
a. indien het een positief getal is, jaarlijks verminderd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet lager kan zijn dan nul; en
b. indien het een negatief getal is, jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen drempelwaarde, waarbij de uitkomst niet hoger kan zijn dan nul.
5. Bij algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften ter uitvoering van dit artikel worden gegeven, waaronder in ieder geval wordt begrepen de wijze waarop terugvordering van op grond van dit artikel betaalde vergoedingen plaatsvindt, indien op basis van de definitieve vaststelling van de personele vergoeding van de scholen over de kalenderjaren vallend in het meetjaar, blijkt dat te veel vergoeding is genoten.