BWBR0018573
Geldig vanaf 2005-07-14
Artikel 4
Tijdelijke regeling natuurbraaksubsidie 2005
1. De subsidieontvanger is ten aanzien van de percelen, bedoeld in artikel 2, verplicht:
a. de goede landbouwpraktijken in acht te nemen;
b. deze niet zwart te houden als gevolg van bewerkingen van de grond;
c. deze, behoudens overmacht, uiterlijk op 15 mei 2005 in te zaaien met een natuurbraakmengsel;
d. de vegetatie niet vóór 15 juli 2005 te maaien;
e. de vegetatie niet vóór 1 oktober 2005 door enigerlei vorm van bewerking te vernietigen;
f. gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september 2005 geen dierlijke of overige organische meststoffen dan wel kunstmest te gebruiken;
g. gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september 2005 geen fytofarmaceutische producten, herbiciden daaronder begrepen, te gebruiken;
h. bij het maaien in ten minste twee etappes te maaien waarbij een periode van minimaal drie weken gelegen is tussen de opeenvolgende maaibeurten, het insluiten van dieren te voorkomen, vogelnesten te ontzien en een stoppellengte van ten minste 10 centimeter aan te houden.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel g, is het gebruik van herbiciden in de in dat onderdeel bedoelde periode toegestaan om een vanuit landbouwkundig oogpunt onacceptabele ontwikkeling van onkruiden tegen te gaan, mits dat gebruik wordt beperkt tot die plekken waar zich een dergelijke ontwikkeling van onkruiden voordoet.
a. de goede landbouwpraktijken in acht te nemen;
b. deze niet zwart te houden als gevolg van bewerkingen van de grond;
c. deze, behoudens overmacht, uiterlijk op 15 mei 2005 in te zaaien met een natuurbraakmengsel;
d. de vegetatie niet vóór 15 juli 2005 te maaien;
e. de vegetatie niet vóór 1 oktober 2005 door enigerlei vorm van bewerking te vernietigen;
f. gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september 2005 geen dierlijke of overige organische meststoffen dan wel kunstmest te gebruiken;
g. gedurende de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september 2005 geen fytofarmaceutische producten, herbiciden daaronder begrepen, te gebruiken;
h. bij het maaien in ten minste twee etappes te maaien waarbij een periode van minimaal drie weken gelegen is tussen de opeenvolgende maaibeurten, het insluiten van dieren te voorkomen, vogelnesten te ontzien en een stoppellengte van ten minste 10 centimeter aan te houden.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel g, is het gebruik van herbiciden in de in dat onderdeel bedoelde periode toegestaan om een vanuit landbouwkundig oogpunt onacceptabele ontwikkeling van onkruiden tegen te gaan, mits dat gebruik wordt beperkt tot die plekken waar zich een dergelijke ontwikkeling van onkruiden voordoet.