1. De rechtspersoon, bedoeld in
artikel 98a, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, brengt voor de eerste dag van de negende maand na de inwerkingtreding van dit lid aan Onze Minister over de periode waarover
artikel 123a, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals dat artikel luidde op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, nog geen toepassing heeft gevonden, verslag uit over zijn werkzaamheden, voortvloeiend uit
artikel 98a van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid. Dit verslag heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die op grond van artikel III, tweede lid, zijn verricht.
2.
Artikel 123a, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, is van overeenkomstige toepassing op het in het eerste lid bedoelde verslag, met dien verstande dat in plaats van de datum 1 mei wordt gelezen: voor de eerste dag van de tiende maand na de inwerkingtreding van dit lid.
3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 98b, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals luidend op de dag voor de inwerkingtreding van dit lid, met dien verstande dat de laatste volzin van het eerste lid wordt gelezen: Dit verslag heeft eveneens betrekking op de werkzaamheden die op grond van artikel IVzijn verricht.