BWBR0018259
Geldig vanaf 2005-05-01
Artikel 6
Experimentenwet vooropleidingseisen, selectie en collegegeldheffing
1. Onze Minister kan op aanvraag van het instellingsbestuur in afwijking van <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.24, eerste en tweede lid, van de wet</a>besluiten dat ten aanzien van een door hem aangewezen bacheloropleiding aanstaande studenten en extraneï kunnen voldoen aan eisen die in de plaats komen van de vooropleidingseisen, gesteld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet</a>.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats, indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat de vervangende vooropleidingseisen ten minste gelijkwaardig zijn aan de vooropleidingseisen, gesteld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet</a>.
3. Het instellingsbestuur stelt de vervangende vooropleidingseisen vast.
4. Het instellingsbestuur voert het onderzoek of de betrokkene voldoet aan de vervangende vooropleidingseisen uit. Dat onderzoek vindt plaats voorafgaand aan de aanvang van het studiejaar. Het instellingsbestuur beslist of de betrokkene voldoet aan de vervangende vooropleidingseisen.
5. De vervangende vooropleidingseisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.
2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid vindt uitsluitend plaats, indien het instellingsbestuur heeft aangetoond dat de vervangende vooropleidingseisen ten minste gelijkwaardig zijn aan de vooropleidingseisen, gesteld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/7.24" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7.24, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de wet</a>.
3. Het instellingsbestuur stelt de vervangende vooropleidingseisen vast.
4. Het instellingsbestuur voert het onderzoek of de betrokkene voldoet aan de vervangende vooropleidingseisen uit. Dat onderzoek vindt plaats voorafgaand aan de aanvang van het studiejaar. Het instellingsbestuur beslist of de betrokkene voldoet aan de vervangende vooropleidingseisen.
5. De vervangende vooropleidingseisen worden opgenomen in de onderwijs- en examenregeling.