BWBR0018238
Geldig vanaf 2006-08-05
Artikel 9
Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
1. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
2. In een geval als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als het tijdstip van de ontvangst van de aanvraag.
3. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de onderdelen Q respectievelijk R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
4. De beschikking tot verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de uitkering wordt bepaald.
5. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot:
a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, een vast bedrag vermeld, bestaande uit: 1°. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°;
2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;
1°. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°;
2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;
b. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, voor zover betrekking hebbende op prestaties op grond van de Wet inburgering, in plaats van van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
6. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
7. De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.
2. In een geval als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als het tijdstip van de ontvangst van de aanvraag.
3. Onze Minister neemt een beschikking tot verlening van de onderdelen Q respectievelijk R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering binnen acht weken na het tijdstip waarop de aanvraag door hem is ontvangen.
4. De beschikking tot verlening van de uitkering vermeldt de wijze waarop het bedrag van de uitkering wordt bepaald.
5. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel Q, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt met betrekking tot:
a. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, een vast bedrag vermeld, bestaande uit: 1°. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°;
2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;
1°. het bedrag, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel o, onder 4°;
2°. een door Onze Minister te bepalen bedrag ten behoeve van de door de gemeente te verstrekken informatie aan (potentiële) inburgeringsplichtigen omtrent het inburgeringsstelsel van de Wet inburgering;
b. het deel, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, voor zover betrekking hebbende op prestaties op grond van de Wet inburgering, in plaats van van de bijdragevergoedingen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel b, onder 2°, uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
6. Voor het bepalen van de hoogte van onderdeel R, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de uitkering wordt uitgegaan van voorschotvergoedingen, waarvan de hoogte wordt bepaald volgens bij regeling van Onze Minister te stellen regels.
7. De uitkering wordt verleend onder de voorwaarde dat door de begrotingswetgever voldoende middelen ter beschikking worden gesteld.