BWBR0018146
Geldig vanaf 2005-04-02
Artikel 8
Regeling seed capital technostarters
1. De minister wint omtrent de aanvragen het advies in van de Adviescommissie seed capital technostarters.
2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij, daarbij geadviseerd door de commissie, van oordeel is dat:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. onvoldoende aannemelijk is dat het startersfonds gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die het fonds aan het investeringsbudget bijdraagt;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het startersfonds bij het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties het ontstaan van belangenverstrengeling zal voorkomen;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van het startersfonds op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is;
e. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop hij niet afwijzend beschikt zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid;
b. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartervennootschappen;
c. het fondsplan doelmatiger is ingericht.
4. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.
5. Indien een aanvraag is gedaan om verstrekking van een geldlening voor een bedrag dat hoger is dan het in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde plafond-bedrag en indien die aanvraag voor het overige kan worden toegewezen, kan de minister in afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste onderscheidenlijk tweede lidhet maximale bedrag van de geldlening bepalen op een hoger bedrag dan het plafond-bedrag indien het op grond van artikel 5beschikbare bedrag daarvoor toereikend is.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid wordt voorrang gegeven aan aanvragen die hoger in de rangschikking zijn geplaatst.
7. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
2. De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien hij, daarbij geadviseerd door de commissie, van oordeel is dat:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. onvoldoende aannemelijk is dat het startersfonds gedurende de investeringsperiode daadwerkelijk zal beschikken over de middelen die het fonds aan het investeringsbudget bijdraagt;
c. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het startersfonds bij het verkrijgen, beheren en beëindigen van participaties het ontstaan van belangenverstrengeling zal voorkomen;
d. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben voor het verkrijgen van participaties en voor het beheer van het startersfonds op een wijze zoals bij participatiefondsen gebruikelijk is;
e. het fondsplan onvoldoende is onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat dat het fondsplan naar behoren wordt uitgevoerd.
3. De minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de commissie, de aanvragen waarop hij niet afwijzend beschikt zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. de aanvrager meer kan steunen op relevante ervaring en deskundigheid;
b. het fondsplan meer bijdraagt aan de opbouw van succesvolle ondernemingen door technostartervennootschappen;
c. het fondsplan doelmatiger is ingericht.
4. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van de rangschikking.
5. Indien een aanvraag is gedaan om verstrekking van een geldlening voor een bedrag dat hoger is dan het in artikel 3, eerste en tweede lid, bedoelde plafond-bedrag en indien die aanvraag voor het overige kan worden toegewezen, kan de minister in afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste onderscheidenlijk tweede lidhet maximale bedrag van de geldlening bepalen op een hoger bedrag dan het plafond-bedrag indien het op grond van artikel 5beschikbare bedrag daarvoor toereikend is.
6. Bij de toepassing van het vijfde lid wordt voorrang gegeven aan aanvragen die hoger in de rangschikking zijn geplaatst.
7. Voor de rangschikking wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.