BWBR0018146
Geldig vanaf 2005-04-02
Artikel 2
Regeling seed capital technostarters
1. De minister verleent op aanvraag een subsidie in de vorm van een geldlening aan een startersfonds voor het uitvoeren van een fondsplan dat is gebaseerd op de uitgangspunten dat:
a. het startersfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;
b. de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartervennootschap worden verkregen, ten minste € 100.000,– en ten hoogste € 2.500.000,– bedraagt;
c. de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een startersfonds gedurende de investeringsperiode per technostartervennootschap verkrijgt, over alle technostartervennootschappen genomen ten hoogste € 800.000,– bedraagt;
d. de middelen die door een startersfonds per half jaar aan een technostartervennootschap worden verstrekt ten hoogste € 500.000,– bedragen;
e. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5% bedragen van het investeringsbudget;
f. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie;
g. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat ten hoogste 35% van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;
h. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;
i. de participaties verkregen worden in technostartervennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
j. bij de beslissing van het startersfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartervennootschap;
k. de participaties verkregen worden in technostartervennootschappen waarin niet eerder een participatie is verkregen door een investeringsfonds, niet zijnde een startersfonds, behoudens indien de eerdere participatie is verkregen door een investeringsfonds dat uitsluitend het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartervennootschappen tot doel heeft en dat naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartervennootschap te verkrijgen.
2. De verstrekking van de geldlening vindt plaats onder de voorwaarde dat binnen twee weken na de beschikking tot verstrekking van de geldlening een overeenkomst tot geldlening wordt gesloten tussen de Staat en het startersfonds.
3. De Staat doet een aanbod een overeenkomst tot geldlening te sluiten, die is opgesteld overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
4. In de overeenkomst tot geldlening wordt onder meer bepaald dat:
a. de geldlening een bedrag betreft dat ten hoogste door het startersfonds kan worden opgenomen;
b. ingevolge de geldlening het startersfonds bedragen in contanten kan opnemen, telkens indien het startersfonds een participatie verkrijgt, voor zover het totaal van de verstrekte middelen niet hoger is dan het maximale bedrag van de geldlening;
c. het startersfonds een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister;
d. het startersfonds geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan.
5. De minister kan in aanvulling op het model in het aanbod voor de overeenkomst tot geldlening bepalingen opnemen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
a. het startersfonds participaties verkrijgt gedurende een investeringsperiode van ten hoogste zes jaar, en deze uiterlijk zes jaar na afloop van de investeringsperiode vervreemdt;
b. de totale verkrijgingsprijs van de participaties die gedurende de investeringsperiode in één technostartervennootschap worden verkregen, ten minste € 100.000,– en ten hoogste € 2.500.000,– bedraagt;
c. de gemiddelde totale verkrijgingsprijs van de participaties die een startersfonds gedurende de investeringsperiode per technostartervennootschap verkrijgt, over alle technostartervennootschappen genomen ten hoogste € 800.000,– bedraagt;
d. de middelen die door een startersfonds per half jaar aan een technostartervennootschap worden verstrekt ten hoogste € 500.000,– bedragen;
e. de beheerskosten jaarlijks ten hoogste 5% bedragen van het investeringsbudget;
f. de fondsbeheerder voor zijn werkzaamheden een beloning verkrijgt die afhankelijk is van zijn individuele prestatie;
g. de relatieve omvang van achtergestelde vorderingen zodanig wordt beperkt dat ten hoogste 35% van het totaal van de verkrijgingsprijzen van de participaties betrekking heeft op achtergestelde vorderingen;
h. voor achtergestelde vorderingen een rente wordt bedongen die ten minste gelijk is aan de referentierente;
i. de participaties verkregen worden in technostartervennootschappen waarvan de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven ten minste redelijk zijn;
j. bij de beslissing van het startersfonds inzake de verkrijging van een participatie rekening wordt gehouden met het ondernemingsplan van de desbetreffende technostartervennootschap;
k. de participaties verkregen worden in technostartervennootschappen waarin niet eerder een participatie is verkregen door een investeringsfonds, niet zijnde een startersfonds, behoudens indien de eerdere participatie is verkregen door een investeringsfonds dat uitsluitend het verstrekken van risicodragend kapitaal aan technostartervennootschappen tot doel heeft en dat naar het oordeel van de minister niet in staat is nieuwe participaties in de technostartervennootschap te verkrijgen.
2. De verstrekking van de geldlening vindt plaats onder de voorwaarde dat binnen twee weken na de beschikking tot verstrekking van de geldlening een overeenkomst tot geldlening wordt gesloten tussen de Staat en het startersfonds.
3. De Staat doet een aanbod een overeenkomst tot geldlening te sluiten, die is opgesteld overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
4. In de overeenkomst tot geldlening wordt onder meer bepaald dat:
a. de geldlening een bedrag betreft dat ten hoogste door het startersfonds kan worden opgenomen;
b. ingevolge de geldlening het startersfonds bedragen in contanten kan opnemen, telkens indien het startersfonds een participatie verkrijgt, voor zover het totaal van de verstrekte middelen niet hoger is dan het maximale bedrag van de geldlening;
c. het startersfonds een deel van de inkomsten uit participaties overboekt aan de minister;
d. het startersfonds geen andere activiteiten verricht dan de uitvoering van het fondsplan.
5. De minister kan in aanvulling op het model in het aanbod voor de overeenkomst tot geldlening bepalingen opnemen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.