BWBR0017707
Geldig vanaf 2015-07-03
Artikel 32
Regeling spoorverkeer
1. De trein stopt zodra in een hoofdsein, met uitzondering van een P-sein, gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen en:
a. er geen toestemming is om een stoptonend sein te passeren;
b. het voorafgaande sein lichtsein nummer 212 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, was;
c. het voorafgaande lichtsein een gedoofd sein was;
d. het voorafgaande sein baken nummer 249a, zoals opgenomen in bijlage 4, was; of
e. het voorafgaande sein lichtsein nummer 214, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, was.
In andere dan de onder a tot en met e genoemde gevallen wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur, of de ter plaatse geldende lagere snelheid, om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
2. Zodra in een P-sein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
3. Indien in een voorsein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt gehandeld alsof dit sein overeenkomstig voorsein nummer 219 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, geel licht uitstraalt.
a. er geen toestemming is om een stoptonend sein te passeren;
b. het voorafgaande sein lichtsein nummer 212 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, was;
c. het voorafgaande lichtsein een gedoofd sein was;
d. het voorafgaande sein baken nummer 249a, zoals opgenomen in bijlage 4, was; of
e. het voorafgaande sein lichtsein nummer 214, zoals opgenomen in bijlage 4, dat geel licht uitstraalde, of bord nummer 317, zoals opgenomen in bijlage 4, was.
In andere dan de onder a tot en met e genoemde gevallen wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur, of de ter plaatse geldende lagere snelheid, om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
2. Zodra in een P-sein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt de snelheid begrensd tot 40 kilometer per uur om op elke plaats achter dit sein waar een belemmering voor het verder rijden aanwezig is te kunnen stoppen.
3. Indien in een voorsein gedoofd of onjuist licht wordt waargenomen, wordt gehandeld alsof dit sein overeenkomstig voorsein nummer 219 a/b, zoals opgenomen in bijlage 4, geel licht uitstraalt.