1. Een fokprogramma als bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onder c, van de verordening wordt erkend indien voldoende bekend is over de populatie en het inteeltpercentage zodat voldaan kan worden aan de volgende voorwaarden:
a. Bij een populatiegrootte van 4000 of meer ooien dient het fokprogramma een mild selectieregime te hanteren indien er minder dan 1% ARR/ARR rammen zijn, onderscheidenlijk een matig selectieregime indien er 1 tot en met 10% ARR/ARR rammen zijn dan wel een streng selectieregime indien er meer dan 10% ARR/ARR rammen zijn, of
b. Bij een populatiegrootte van 750 tot 4000 ooien dient het fokprogramma een mild selectieregime te hanteren indien er minder dan 5% ARR/ARR rammen zijn, onderscheidenlijk een matig selectieregime indien er 5 tot en met 50% ARR/ARR rammen zijn dan wel en een streng selectieregime indien er meer dan 50% ARR/ARR rammen zijn, of
c. Bij een populatiegrootte van minder dan 750 ooien dient het fokprogramma een mild selectieregime te hanteren indien er minder dan 10% ARR/ARR rammen zijn, onderscheidenlijk een matig selectieregime indien er 10 tot en met 80% ARR/ARR rammen zijn dan wel een streng selectieregime indien er meer dan 80% ARR/ARR rammen zijn.
2. a. Onder een streng selectieregime als bedoeld in het eerste lid wordt bedoeld: het inzetten van uitsluitend ARR/ARR rammen.
b. Onder een matig selectieregime als bedoeld in het eerste lid wordt bedoeld: het inzetten van vooral ARR/ARR rammen, maar als het aantal ooien per ram te hoog wordt, mogen ook ARR/-rammen worden ingezet. Met rammen met een of meer VRQ-allelen mag niet gedekt worden
c. Onder een mild selectieregime als bedoeld in het eerste lid wordt bedoeld: het inzetten van zowel ARR/ARR rammen, ARR/-rammen, alsmede het inzetten van rammen zonder ARR-allelen. Met rammen met een of meer VRQ-allelen mag niet worden gedekt.
3. De erkenning wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.