BWBR0017415
Geldig vanaf 2004-11-10
Artikel 4
Regeling werkgeversbijdrage kinderopvang rijkspersoneel
1. De aanvraag voor de bijdrage wordt door de ambtenaar jaarlijks ingediend bij het bevoegd gezag.
2. De aanvraag dient te worden ingediend uiterlijk vóór de eerste van de tweede maand die voorafgaat aan de maand waarin aan de aanvraag uitvoering moet worden gegeven.
3. Toekenning van de bijdrage geschiedt met terugwerkende kracht van maximaal drie maanden, gerekend vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend.
4. Bij de aanvraag voegt de ambtenaar een kopie van de overeenkomst met het kindercentrum of het gastouderbureau, waaruit de uurprijs van de opvang, het aantal uren opvang, de soort opvang en de duur van de overeenkomst blijkt, alsmede een kopie van het bewijs van registratie van het kindercentrum of het gastouderbureau.
5. In het geval waarin de werkgever van de partner van de ambtenaar minder dan een zesde deel van de kosten van kinderopvang of gastouderopvang vergoedt en de ambtenaar aanspraak wil maken op de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 9, dient bij de aanvraag een verklaring van die werkgever te worden gevoegd waaruit blijkt in welke mate wordt bijgedragen in de kosten van kinderopvang of gastouderopvang.
6. Indien de door de ambtenaar verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, wordt hij in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn alsnog te verstrekken. Worden de ontbrekende gegevens niet binnen de door het bevoegd gezag gestelde termijn verstrekt, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Dit laatste geldt niet indien uitsluitend de in het vijfde lid bedoelde verklaring niet wordt overgelegd.
7. Het bevoegd gezag beslist zo spoedig mogelijk, doch niet later dan acht weken nadat deze is ingediend, op de aanvraag.
2. De aanvraag dient te worden ingediend uiterlijk vóór de eerste van de tweede maand die voorafgaat aan de maand waarin aan de aanvraag uitvoering moet worden gegeven.
3. Toekenning van de bijdrage geschiedt met terugwerkende kracht van maximaal drie maanden, gerekend vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend.
4. Bij de aanvraag voegt de ambtenaar een kopie van de overeenkomst met het kindercentrum of het gastouderbureau, waaruit de uurprijs van de opvang, het aantal uren opvang, de soort opvang en de duur van de overeenkomst blijkt, alsmede een kopie van het bewijs van registratie van het kindercentrum of het gastouderbureau.
5. In het geval waarin de werkgever van de partner van de ambtenaar minder dan een zesde deel van de kosten van kinderopvang of gastouderopvang vergoedt en de ambtenaar aanspraak wil maken op de aanvullende bijdrage, bedoeld in artikel 9, dient bij de aanvraag een verklaring van die werkgever te worden gevoegd waaruit blijkt in welke mate wordt bijgedragen in de kosten van kinderopvang of gastouderopvang.
6. Indien de door de ambtenaar verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, wordt hij in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn alsnog te verstrekken. Worden de ontbrekende gegevens niet binnen de door het bevoegd gezag gestelde termijn verstrekt, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Dit laatste geldt niet indien uitsluitend de in het vijfde lid bedoelde verklaring niet wordt overgelegd.
7. Het bevoegd gezag beslist zo spoedig mogelijk, doch niet later dan acht weken nadat deze is ingediend, op de aanvraag.